Zaterdag in de derde week van Pasen
            Heilige Athanasius, bisschop en kerkleraar


Eerste lezing: Handelingen 9,31-42 [I 196]
Evangelie: Johannes 6,60-69 [I 197]


Inleiding  

Vandaag, op twee mei, vieren we de gedachtenis van de heilige Athanasius. Hij leefde in de derde/vierde eeuw. De Voorzienigheid zond Athanasius naar de wereld, toen er in de Kerk een geweldige windhoos losbarstte en in steeds groter hevigheid aan de zuilen van de Kerk rukte, zodat deze begonnen te wankelen. De heilige muren dreigden in elkaar te storten. Het had er de schijn van dat de machten uit de diepte en de krachten uit de hoogte de Kerk van de aardbodem wilden verdelgen. Maar één bleef er pal staan, als een rots, een golfbreker: Athanasius.
In het intredelied zongen we: 'in medio ecclesiae', 'in het midden van de Kerk'. Stond Athanasius in het midden van de Kerk omdat hij de heilige Antonius de hand boven het hoofd hield en Antonius hem, toen hij tijdens een van zijn vele ballingschappen in de woestijn zijn toevlucht zocht, een onderkomen gegeven heeft, om hem tegen zijn vijanden, waarvan hij er vele had, te beschermen? Of omdat hij het vita van Antonius heeft geschreven, waarin hij het gedachtegoed, het charisma, van de heilige Antonius aan het nageslacht, dus ook aan u, heeft overgeleverd? Of was het omdat hij leefde in een tijd waarin zich hetzelfde afspeelde als in onze tijd? Dat men God heel hoog had en ook Jezus heel hoog had, maar dat men vond dat Hij niet God was, want Hij was mens. En dat alles wat wij van God kunnen zeggen niets anders kan zijn dan tekenen, aarzelende uitingen, weifelende pogingen die ergens verwijzen naar wie en wat God is, maar nooit kunnen zeggen: dat is God. God gaat alles en iedereen ver te boven. Je kunt zeker niet zeggen: dat is God! Jezus is God! Dan haal je Hem naar beneden. Het is natuurlijk wel gebeurd, dat God naar beneden werd gehaald, maar dat hebben wij niet gedaan, maar dat deed Hij zelf, in de menswording.
Zou Athanasius niet eerder in het midden van de Kerk staan, omdat hij de pleitbezorger van het heilig Sacrament genoemd kan worden? Pleitbezorger van het sacramentele in de Kerk. Want het sacrament is, wat je ziet en hoort, wat verwijst naar God en tegelijkertijd God zelf bevat. In de tijd van Athanasius had je de Arianen en je hebt de Arianen van nu. Er zijn er op het ogenblik heel veel. Zij zijn tegen het sacrament, tegen het sacramentele van de Kerk, tegen Jezus als het sacrament van de Godsontmoeting, tegen de heilige eucharistie, tegen eucharistische aanbidding.
De bisschop en kerkleraar Athanasius staat nu in het midden van de Kerk, toen stond hij aan de buitenkant van Kerk en maatschappij, door zijn vele ballingschappen. Maar daar, aan de rand, was God met hem, zoals God nu nog is met degenen die vasthouden aan het geloof in Gods menswording.
Belijden wij dan eerst onze schuld dat wij soms bang zijn geweest en aan onze angst hebben toegegeven en niet hebben durven belijden dat Jezus werkelijk de Zoon van God is.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes

In die dagen zeiden velen van de leerlingen van Jezus:
“Deze taal stuit iemand tegen de borst.
Wie is nog in staat naar Hem te luisteren?”
Maar Jezus,
die uit Zichzelf wist dat zijn leerlingen daarover morden,
vroeg hun: “Neemt gij daar aanstoot aan?
Als gij dan de Mensenzoon ziet opstijgen
naar waar Hij vroeger was...?
Het is de geest die levend maakt,
het vlees is van geen nut.
De woorden die Ik tot u gesproken heb,
zijn geest en leven.
Maar er zijn er onder u
die geen geloof hebben.”
Jezus wist inderdaad van het begin af aan
wie het waren die niet geloofden
en wie Hem zou overleveren.
Hij voegde er aan toe:
“Daarom heb Ik u gezegd
dat niemand tot Mij kan komen
als het hem niet door de Vader gegeven is.”
Tengevolge hiervan
trokken velen van zijn leerlingen zich terug
en verlieten zijn gezelschap.
Waarop Jezus aan de twaalf vroeg:
“Wilt ook gij soms weggaan?”
Simon Petrus antwoordde Hem:
“Heer, naar wie zouden wij gaan?
Uw woorden zijn woorden van eeuwig leven
en wij geloven en weten dat Gij de Heilige Gods zijt.”

Homilie  

Een bijna algehele aftocht. De grote massa ís al afgevallen, en uit de engere kring van zijn leerlingen hebben velen zijn gezelschap verlaten. Nu blijven er nog twaalf over. Eigenlijk is dat genoeg, want twaalf is niet zomaar een getal, maar het is het getal van de twaalf stammen, van de twaalf aartsvaders. Die twaalf zijn dus eigenlijk het hele volk. Dat hele volk, ieder van hen, maar ook ieder van ons, wordt voor de keuze gesteld. Wil je echt en wil je helemaal bij Hem horen? Want bij Mij, bij Jezus, is het: helemaal of helemaal niet, alles of niets. Dat is de moeilijkheid van er al bij horen. Waarom hoor je erbij? Ja, omdat je er nu eenmaal al bij hoort. Maar dát er bij horen kan ook half, en wel zo dat je er innerlijk niet helemaal bij hoort.
Als er in een gemeenschap geen grenzen worden gesteld, als er geen regeltucht is, kunnen mensen uittreden zonder uit te treden. Ze kunnen helemaal van de oorspronkelijke geest vervreemd zijn, zonder dat ze daaruit de consequentie trekken en weggaan. Zo kan het zelfs voorkomen dat hele gemeenschappen, hele congregaties uittreden zonder uit te treden. De keuze moet dus steeds vernieuwd worden, of je er niet alleen van buiten maar ook van binnen, helemaal van harte, bij hoort. En óf je erbij hoort, óf je helemaal bij Hem hoort, kun je gewoonlijk merken aan het morren.

Eerst hadden de Joden gemord toen Jezus zei: Brood uit de hemel, dat ben Ik. "Ik ben het brood des levens: wie tot Mij komt zal geen honger hebben, en wie in Mij gelooft zal nooit meer dorst krijgen" (Joh 6,35). Dat was een steen des aanstoots. Daarover werd gemord. Maar nu zijn het de leerlingen, de binnencirkel, die beginnen te morren en zich aansluiten bij een lange traditie van morren, van protest tegen God. In de woestijn morden de Israëlieten tegen God.

Wat is nu het aanstootgevende? 'Ergert jullie dat, vraagt Jezus, wat Ik gezegd heb over mijn vlees eten, mijn bloed drinken?' "Neemt gij daar aanstoot aan?” Hij neemt eerst een voor de hand liggende reden van ergernis weg: je moet dat natuurlijk niet vleselijk verstaan, op de wijze van kannibalisme, want “het is de geest die levend maakt, het vlees is van geen nut.” … “De woorden die Ik tot u gesproken heb, over dat vlees eten, zijn geest en leven”, maar als je daar dan toch aanstoot aan neemt dan … “als jullie dan de Mensenzoon zien opstijgen naar waar Hij vroeger was ...?" Jezus maakt zijn zin niet af. Die zou je kunnen aanvullen met: wat zullen jullie dán wel niet zeggen? Hoe zullen jullie dán wel niet geërgerd zijn; wat zullen jullie dán wel niet morren? Dan zal de ergernis pas goed gestalte krijgen, vorm krijgen, want met het opstijgen van de Mensenzoon wordt bedoeld: zijn omhoog geheven worden aan het kruis, zoals Mozes eens de slang ophief.

Het schandaal is dat de graankorrel in de aarde valt en moet sterven om vrucht te kunnen leveren (Joh 12,24). Zo moest het met Jezus gaan. De ergernis van Jezus' koningschap is dat zijn troon de schandpaal is van een ter dood veroordeelde. Dat gaat er bij de mensen niet in. Dan steekt het gemor de kop op, en dat is het tegendeel van luisteren. "Deze taal stuit iemand tegen de borst." Wie kan daar nu naar luisteren? Wie wil dat woord nu horen? Dat is duidelijk een blijk van ongeloof, van ongeloof in Jezus en in zijn werk.

Maar het eindigt gelukkig niet met ongeloof. God zij dank! "Wilt ook gij soms weggaan?” … “Heer, naar wie zouden wij gaan?" Dat is een geloofsuitspraak! Ze zeggen niet: 'naar wie zou ik gaan?', of: 'we zijn nu eenmaal een groep die bij elkaar hoort.' Nee, het is echt een geloofsuitspraak. Want dit wij is het wij van de Kerk.
Eigenlijk zouden zij en ook wij uit elkaar moeten vallen. De Kerk in onze samenleving wordt door zoveel middelpuntvliedende krachten uiteen getrokken, dat ze eigenlijk niet kan overleven. Dat de Kerk het wel overleeft, dat wij hier zijn, komt niet door eigen kracht, niet door eigen verdiensten, maar dat komt doordat we worden bijeengehouden door Iemand buiten onze groep: door Jezus. "Gij hebt woorden van eeuwig leven." U trekt ons door alle verleidingen en dieptepunten heen.