Eerste lezing: Handelingen 8,26-40
Evangelie: Johannes 6,44-51
Inleiding
'De Heer heeft zijn volk gevoed, Hij heeft het verzadigd.' Dit is een herinnering aan één van de mooiste momenten uit de geschiedenis van Israël. Het Joodse volk verkeerde in nood, alle verbindingslijnen waren afgesneden, het had vijanden achter zich en voor zich, ze waren er van alle kanten door ingesloten, en toen ze geen kant meer uit konden en van de honger vergingen, was daar ineens 'brood uit de hemel'. Zij die honger hadden, aten ervan tot zij verzadigd waren. Dát moment werd in de psalmen neergelegd, en wordt steeds weer opgeroepen op donderdag.
Dat is wat God is: een Redder in de nood. Als je niet weet waar je het zoeken moet, is Hij er. Hij komt vanuit een andere richting, vanuit een andere kant; Hij komt van achter de coulissen van de geschiedenis te voorschijn. Je hebt Hem nooit gezien, maar Hij weet waar je aan lijdt. Zo voedt Hij zijn volk met het beste wat Hij heeft: de liefde van zijn eigen Zoon, zijn zelfgave. Belijden wij dan eerst onze schuld, dat we zo kleingelovig zijn, dat we zo weinig rekening houden met de altijd weer Aanwezige, en zijn Zichzelf aanwezig stellende tegenwoordigheid.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes
In die dagen zei Jezus tot de menigte:
Niemand kan tot Mij komen
als de Vader die Mij zond hem niet trekt;
en Ik zal hem doen opstaan op de laatste dag.
Er staat geschreven bij de profeten:
En allen zullen door God onderricht worden.
Al wie naar de leer van de Vader geluisterd heeft,
komt tot Mij.
Niet dat iemand de Vader gezien heeft,
alleen Degene die uit God is, heeft de Vader gezien.
Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u:
wie gelooft heeft eeuwig leven.
Ik ben het Brood des levens.
Uw vaderen die het manna gegeten hebben in de woestijn,
zijn niet te min gestorven.
Maar dit brood daalt uit de hemel neer,
opdat wie er van eet niet sterft.
Ik ben het levende brood
dat uit de hemel is neergedaald.
Als iemand van dit brood eet,
zal hij leven in eeuwigheid.
Het brood dat Ik zal geven,
is mijn vlees,
ten bate van het leven der wereld.
Homilie
Als een schaap werd Hij ter slachtbank geleid; en evenals een lam, stom tegen zijn scheerder, opende Hij zijn mond niet. Door zijn vernedering is zijn vonnis voltrokken." Zo klinkt wat de opperschatmeester van Kándake, de koningin van de Ethiopiërs, aan het lezen was bij de profeet Jesaja. Hij las hardop, zoals de mensen in die tijd gewoon waren te lezen. Ze bewogen hun lippen en verhieven ook zachtjes hun stem, zodat Filippus, die door de Geest gemaand werd om naast de koets te gaan lopen, kon horen wat hij las. Hij hoorde hem de profeet Jesaja lezen en zo kon hij aan die man de vraag stellen: "Begrijpt u wat u leest? Maar de Ethiopiër antwoordde: Hoe zou ik dat kunnen, als niemand mij daarin behulpzaam is, als niemand mij uitleg geeft.
Jezus ís ook niet te begrijpen. Hij zegt zelf: Niemand kan tot Mij komen, niemand kan inkomen in wat Ik doe en hoe Ik leef, als de Vader die Mij zond hem niet trekt.
Al wie naar de leer van de Vader geluisterd heeft komt tot Mij." Het is dus de Vader die door de heilige Geest je hart ontvankelijk kan maken voor zijn leer, voor zijn levenshouding, voor zijn als een lam zijn. Want Jezus ís zo, omdat de Vader zo is. Jezus is slachtoffer, Jezus is net als de Vader de zwijgende goedheid. Hij heeft het kwaad gelaten, Hij heeft het als het ware in Zichzelf naar binnen laten gaan, in dat grotere, zuivere, onbaatzuchtige Hart en het zo in het niets laten verdwijnen. Zoals Paulus zegt: "Laat u niet overwinnen door het kwade, maar overwin het kwade door het goede" (Rom 21,21).
Jezus is dus zo omdat de Vader zo is. God zwijgt, God wacht, God heeft geduld en schenkt vergeving. In het Oude Verbond werd Hij al zo genoemd: eindeloos geduldige liefde. God de Vader geeft de mens de kans om zich te bekeren. Daarvoor laat Hij hem eerst met het kwade doorgaan, zolang doorgaan, tot hij zelf ontdekt dat het zo niet langer kan. Zoals mensen wel eens zeggen als ze tot bezinning komen: waar ben ik toch mee bezig? Het is precies zoals het in de opvoeding gaat. Ouders, opvoeders, drukken het kwaad niet meteen de kop in, ze geven de kinderen de ruimte om fouten te maken. Het is niet goed om iemand altijd onder toezicht te houden. Onze maatschappij heeft daar nogal een handje van, zij stelt camera's op of deelt meteen strenge boetes of straffen uit. Ouders, of mensen in het algemeen, stellen zich dikwijls ook zo op, omdat ze de pijn niet willen voelen als hun kind wegen gaat die niet goed zijn. Een andere manier van reageren is, dat zij niet streng straffen, maar heel verdrietig of emotioneel reageren wanneer het kind over de schreef gaat. Dat is ook een manier om het kwaad als het ware te voorkomen. Het andere uiterste van de pijn niet kunnen verdragen is, dat je, als je het kind verkeerde wegen ziet gaan, alles maar goed vindt, alles maar gewoon vindt, en zegt dat de tijden veranderd zijn, dat je het door de vingers ziet, of van geen kwaad wil weten.
Echter God de Vader is anders, Hij is echt een goede Opvoeder. Van de ene kant laat Hij de kinderen hun verkeerde wegen gaan, in zonde vallen en Hij lijdt eraan. Het is niet zo dat Hij het niet voelt omdat Hij zo ver weg is, nee, Hij voelt wel degelijk. Hij heeft medelijden, zoals er ook staat van de vader van de verloren zoon. "Hij werd door medelijden bewogen" (Lc 14,20), toen hij zijn zoon zo verloederd zag aankomen. Hij heeft medelijden, zoals ouders medelijden hebben wanneer hun kinderen verkeerde wegen gaan. Ze lijden eraan. Zo lijdt ook God eraan. Hij straft niet, Hij dwingt niet, Hij snijdt je niet de pas af, maar het gaat Hem wel ter harte. Hij heeft er pijn aan als ze van Hem weglopen, als ze zich aan afgoden overleveren, aan genot, aan machtsmisbruik, want daardoor lopen ze hun eigen ongeluk tegemoet. De Vader draagt die pijn, zoals Jezus die pijn draagt, als een lam, stom tegenover zijn scheerder, zachtmoedig en nederig van hart, het kwaad dragend, verdragend, duldend. Hij duldt het onduldbare en daarmee laat Hij het kwaad verdwijnen en keert het ten goede.
We hebben daar ook in de geschiedenis van de Kerk voorbeelden van. Edith Stein bijvoorbeeld. 'Velen', zei zij, - lang voor de Tweede Wereldoorlog in de jaren dertig, toen de Jodenvervolging van de kant van de nazi's op gang begon te komen - 'velen zullen de zin van het lijden van het Joodse volk niet begrijpen, maar door Gods gave, de heilige Geest, weet ik wat het betekent en ik zeg: Hier ben ik, Heer. Met andere woorden: als mij hetzelfde lijden zou treffen, dan zal ik mij niet verzetten, of boos worden, maar de gelegenheid aangrijpen om zoals Jezus slachtoffer te zijn, zachtmoedig, nederig, en het vonnis laten voltrekken.' Toen ze samen met haar zus Rosa gearresteerd werd hier in Nederland, in Echt, zei ze: 'Kom Rosa, laten we gaan voor ons volk.'
Op zekere dag stelde haar geestelijke leidsman, pater Johannes Hirschmann, aan Edith Stein de vraag: 'Wie zal er verzoening brengen, of wie doet er boete, of wie brengt eerherstel voor wat het Joodse volk in naam van het Duitse volk is aangedaan? Wie laat die ontzettende schuld tot zegen worden voor de beide volkeren?' Edith Stein gaf ten antwoord: 'Dat gebeurt door hen, die de wonden die hier door de haat worden geslagen geen nieuwe haat laten voortbrengen, en door hen, die, hoewel zijzelf ook slachtoffers van de haat zijn, het leed onder die gehaat worden en het leed van degenen die zelf haten, op zich nemen.'
Een ander voorbeeld uit de Tweede Wereldoorlog is Maximiliaan Kolbe. Er was een gevangene ontsnapt. Voor straf zouden er tien willekeurig uitgekozen gevangenen de hongerdood moeten sterven in de hongerbunker en het lot viel onder andere op een vader van twee kinderen. Toen hij een kreet van afgrijzen slaakte, sprong Maximiliaan Kolbe in zijn plaats. Hij ging in zijn plaats de hongerbunker in, plaatsvervangend voor anderen, zoals Jezus.
Nog een ander voorbeeld is een Russische religieuze. Zij werd tijdens de Tweede Wereldoorlog door de nazi's naar een vernietigingskamp getransporteerd, om daar vergast te worden. Eens moest zij samen met andere gevangenen voor het appèl aantreden, er werd een loting gehouden wie op dat moment naar de gaskamer moesten om te sterven. Een van de gevangenen die werd uitgeloot, begon ontzettend te huilen, want zij had de hoop gekoesterd om dat kamp te overleven en de vrijheid terug te krijgen. Toen zij zo begon te wenen, ging die religieuze naar haar toe en zei haar: 'Huil maar niet. Het laatste woord is niet aan de dood, maar aan het leven. Daar ben ik heel zeker van, zo zeker, dat ik samen met jou de gaskamer zal binnengaan.' En zij vergezelde de vrouw in de kamer van de dood. Ooggetuigen berichtten, dat op slag de sfeer in die doodskamer veranderde, omdat een mens bereid was, uit vrije wil en zonder vrees, haar leven te geven.
Je zou kunnen zeggen: Jezus is als de Zoon van God de doodskamer van deze wereld binnengegaan en omdat Hij dat onbevreesd en in overgave aan de wil van de Vader heeft gedaan, zachtmoedig en nederig van hart, daardoor is de sfeer in de kamer van de dood van onze wereld veranderd. Dat hebben wij onlangs op Stille Zaterdag kunnen meemaken. Op die dag was deze kapel als de kamer van de dood. Gods aanwezigheid was weg. En de nacht erop, in de Paasnacht, werd deze kamer, in plaats van gehuld te zijn in doodsgeur en dodelijke verlatenheid, vervuld van een heel nieuw en zalig hemels leven.
Nu mogen wij in de heilige eucharistie ook samen met Jezus die kamer van de dood binnengaan, om er met zijn gezindheid weer uit te treden, zachtmoedig en nederig van hart. Niet alleen brood en wijn worden veranderd, maar vooral ook worden onze harten veranderd, substantieel, wezenlijk. In plaats van één en al verzet tegen het slachtoffer zijn, wordt u door het ontvangen van zijn Lichaam en Bloed zachtmoedig en nederig van hart. Het kwaad dat wij in onszelf dragen, het kwaad dat wij van onze medemensen ondervinden, treden wij dan niet meer tegemoet met hardheid, met moedeloosheid, met zelfmedelijden, met verzet, of met wraak, maar zoals God, zoals Jezus, met zachtmoedigheid en nederigheid.