Heilige Fidelis van Sigmaringen, priester en martelaar
Eerste lezing: Handelingen 9,31-42
Evangelie: Johannes 6,60-69
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes
In die dagen zeiden velen van de leerlingen van Jezus:
Deze taal stuit iemand tegen de borst.
Wie is nog in staat naar Hem te luisteren?
Maar Jezus,
die uit Zichzelf wist dat zijn leerlingen daarover morden,
vroeg hun: Neemt gij daar aanstoot aan?
Als gij dan de Mensenzoon ziet opstijgen
naar waar Hij vroeger was...?
Het is de geest die levend maakt,
het vlees is van geen nut.
De woorden die Ik tot u gesproken heb,
zijn geest en leven.
Maar er zijn er onder u
die geen geloof hebben.
Jezus wist inderdaad van het begin af aan
wie het waren die niet geloofden
en wie Hem zou overleveren.
Hij voegde er aan toe:
Daarom heb Ik u gezegd
dat niemand tot Mij kan komen
als het hem niet door de Vader gegeven is.
Tengevolge hiervan
trokken velen van zijn leerlingen zich terug
en verlieten zijn gezelschap.
Waarop Jezus aan de twaalf vroeg:
Wilt ook gij soms weggaan?
Simon Petrus antwoordde Hem:
Heer, naar wie zouden wij gaan?
Uw woorden zijn woorden van eeuwig leven
en wij geloven en weten dat Gij de Heilige Gods zijt.
Homilie
Jezus stelt mensen voor een keuze, want Hij is Iemand van helemaal of helemaal niet. Ergert jullie dat, vraagt Jezus, wat Ik gezegd heb? "Als jullie dan de Mensenzoon zien opstijgen naar waar Hij vroeger was...?" Jezus maakt zijn zin niet af, maar wij mogen aanvullen: wat zullen jullie dan wel niet zeggen? Dan zullen jullie pas goed geërgerd zijn; want met het opstijgen van de Mensenzoon wordt wellicht bedoeld: omhoog geheven worden aan het kruis. Het schandaal is, dat de graankorrel in de aarde moet vallen en sterven om vrucht voort te brengen (vgl. Joh 12,24). De ergernis van Jezus' Koningschap is dat zijn troon de schandpaal is van het kruis, van de ter dood veroordeelde. Hij stelt ons daarom voor een keuze. En het antwoord van Petrus is: "Naar wie zouden wij gaan? , is een geloofsuitspraak van de Kerk. Wij, het 'wij' van de Kerk, geloven en weten dat Gij de Heilige Gods zijt."
Hier, in het evangelie van sint Jan, treffen wij de belijdenis van Petrus aan. In die belijdenis worden wij tot een 'wij', tot een gemeenschap, samengebonden door Jezus. Hij is onze band. Jezus brengt ons bijeen en Hij houdt ons bijeen. Eigenlijk zouden wij als gemeenschap van de Kerk uit elkaar moeten vallen. In onze samenleving wordt de Kerk door zoveel middelpuntvliedende krachten uit elkaar getrokken, dat zij dat eigenlijk niet zou kunnen overleven. Maar tegenover die middelpuntvliedende krachten staat Jezus in het midden van zijn Kerk als een middelpuntzoekende kracht. Hij bouwt de Kerk steeds weer op.
Zo is het ook bij ons persoonlijk. Eigenlijk zouden wij door allerlei krachten van Hem moeten worden weggetrokken. De ene keer is het het werk dat ons over het hoofd groeit, de andere keer is het het slechte voorbeeld van een medezuster, de moeilijkheden in je eigen karakter, gebeurlijkheden in de familie, iets met je gezondheid, zoveel dingen die je van Hem wegtrekken, wegtrekken van waartoe je geroepen bent. In het gebed en in de vieringen word je dan weer teruggeroepen, word je voor de keuze gesteld: wil je helemaal weg, je bevindt je namelijk op het hellende pad, of wil je terug? Ik heb je toch geroepen, zegt Jezus, Ik heb je toch aangenomen zoals je bent, dan moet je ook jezelf aannemen, dan moet je ook de moeilijkheden aannemen, de moeilijkheden van je karakter, van het gezelschap waarin je je bevindt, van het milieu. Maak van die moeilijkheden een middelpuntzoekende kracht, draag het als een kruis, als iets dat je meer kan verenigen met Mij, dan dat het je van Mij kan doen verwijderen.