Dinsdag in de derde week van Pasen
Eerste lezing: Handelingen 7,51-8,1a
Evangelie: Johannes 6,30-35


Inleiding    

"Ik ben de verrijzenis en het leven" (Joh 11,25). Ja, Hij is de Verrezene. In die zin kun je zeggen: Hij is de verrijzenis, maar met dat woord wordt bedoeld, dat Hij de verrijzenis is voor óns. Het is een 'Ik ben' woord, dus een woord waarmee God Zichzelf aanduidt. "Ik ben die is,” sprak God tot Mozes (Ex 3,14). Ik ben er voor u. Hij is “de herder van de schapen”. Hij is “het leven” voor ons én Hij is “de verrijzenis” voor ons. “Wie in Mij gelooft zal leven in eeuwigheid" (Joh 11,26). Jezus is het voor Zichzelf om het voor ons te kunnen zijn. Zoals Hij nu het woord en straks ook zijn Lichaam is voor u. Jezus is er helemaal voor ons.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes

In die dagen zei de menigte tot Jezus:
“Wat voor teken doet Gij dan wel
waardoor wij kunnen zien dat wij in U moeten geloven?
Wat doet Gij eigenlijk?
Onze vaderen hebben het manna gegeten in de woestijn,
zoals geschreven staat:
Brood uit de hemel gaf Hij hun te eten.”
Jezus hernam:
“Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u:
wat Mozes u gaf, was niet het brood uit de hemel;
het echte brood uit de hemel
wordt u door mijn Vader gegeven;
want het brood van God daalt uit de hemel neer
en geeft leven aan de wereld.”
Zij zeiden tot Hem:
“Heer, geef ons te allen tijde dat brood.”
Jezus sprak tot hen:
“Ik ben het brood des levens:
wie tot Mij komt zal geen honger meer hebben,
en wie in Mij gelooft, zal nooit meer dorst krijgen.”

Homilie    

Eén en al strijd! Strijd in de Handelingen der Apostelen, strijd in het evangelie. De Joden strijden met Stefanus en Jezus strijdt met de Joden in Kafarnaüm. Strijd is wezenlijk aan het menselijk bestaan. Strijd is ook wezenlijk voor de christelijke bestaanswijze, want het nieuwe leven en het oude leven bestaan naast elkaar. Mensen die de nieuwe bestaanswijze al hebben gekregen, moeten leven naast en temidden van mensen die die nieuwe bestaanswijze, die nieuwe manier van denken nog niet hebben gekregen. Maar die nieuwe denkwijze en handelwijze van het geloof moet ook in ieder van ons strijd voeren tegen de oude denk- en handelwijze. Die strijd in ons vindt plaats van dag tot dag, van uur tot uur. Zodra die strijd ophoudt te bestaan in ons, vallen we terug in ons oude denkpatroon.

Dat die twee wijzen van bestaan recht tegenover elkaar staan, zien we vandaag in de eerste lezing: Stefanus tegenover de Joden. Ze staan diametraal tegenover elkaar. Het komt tot een confrontatie. We zien het ook in het evangelie: Jezus staat tegenover de Joden, die met hun geestloze gesloten gedachtegang, vol onbegrip voor de denkwijze van Jezus, vragen stellen aan Hem. Jezus probeert hen te openen en tot een hoger begrip te brengen, tot de denkwijze van het geloof. Jezus en de Joden staan ten opzichte van elkaar zoals het brood uit de hemel staat ten opzichte van het brood van deze wereld.

Het is eigen aan het ongeloof om vragen te stellen. "Wat voor teken doet Gij dan wel waardoor wij kunnen zien dat wij in U moeten geloven? Wat doet Gij eigenlijk?” Vragen stellen lijkt onschuldig. Hoe dikwijls zeggen wij niet: 'Vragen staat vrij'? Ze vragen toch alleen maar, ze wijzen toch niets af? Maar uit zulke vragen spreekt ongeloof, zoals dat ook sprak uit de vragen die Nikodémus aan Jezus stelde: “Hoe kan een mens geboren worden als hij al oud is?” (Joh 3,4). Vragen stelde ook de Samaritaanse: “Hoe kunt Gij als Jood nu te drinken vragen aan mij, een Samaritaanse?” (Joh 4,9). Of: “Is dit niet Jezus? Hoe kan Hij dan zeggen: Ik ben uit de hemel neergedaald?” (Joh 6,42). “Hoe kan Hij ons zijn vlees te eten geven?", zullen we naderhand nog horen in diezelfde reden (Joh 6,52). Het zijn eigenlijk geen vragen, maar uitroepen, bewogen uitroepen. Dat kan toch niet! Hij is het toch niet! Hoe kan dat nu?

Het kan ook niet anders dan dat er wel eens vragen gesteld worden, en dat is niet omdat wij dom zijn, of omdat we niet genoeg ons verstand gebruiken, niet nadenken, nee, vragen stellen is wezenlijk aan het menszijn. Vragen stellen is eigen aan de toestand van de zonde, dat wij tegenover de werkelijkheid van God geen begrip opbrengen. We zijn als blinden, als doven, als kinderen die niet luisteren, die niet kunnen assimileren. En dat is ook niet verwonderlijk, want het is immers de hemel die neerdaalt. Dat is wat Jezus bedoelt als Hij zegt: "Het echte brood uit de hemel wordt u door mijn Vader gegeven; want het brood van God daalt uit de hemel neer en geeft leven aan de wereld.” Stefanus “zag de hemel open en de Mensenzoon staande aan Gods rechterhand", gereed om in te grijpen, gereed om hem op te vangen, zodra hij was gestenigd.

Hemelbrood, brood van God, dat was wat Stefanus zag, het brood waarvan ze in de hemel leven. Leef je op aarde van brood alleen, dan ga je nog dood, maar eet je op aarde van het hemels brood, dan leef je door de dood heen. Het brood van God heeft een voedingswaarde, dat je er mee door de dood heen komt. Als u vandaag iets van doodgaan beleeft, het zat bent, er niet meer tegenop kunt, dat u ergens aan de grens raakt van: ook dat nog, dan krijgt u nu iets waarmee u door de dood heen komt. Als je je lichamelijk krachteloos voelt en er niet meer tegenop kunt, dan eet je wat. Als wij, gelovigen, aan geestelijke kracht te kort schieten, dan eten wij het Brood uit de hemel dat Jezus is, en u zult meemaken, zoals u dat al zo dikwijls hebt meegemaakt, dat u herleeft, dat u nieuwe kracht krijgt. Dat is niet de kracht van uzelf, dat is niet de kracht van deze wereld, maar van God.