Eerste lezing: Exodus 3,1-8a.13-15
Tweede lezing: 1 Korintiërs 10,1-6.10-12
Evangelie: Lucas 13,1-9
Inleiding
In de eerste lezing van vandaag krijgen we te maken met de oerervaring van de gelovigen: de openbaring van onze God als een God van medelijden, een God die betrokken is op ons lot, die meeleeft en meelijdt. "Ik heb de ellende van mijn volk in Egypte gezien, de jammerklachten om zijn onderdrukkers gehoord; ja, Ik ken zijn lijden." Dit 'kennen' van God is niet alleen een theoretisch, een verstandelijk weten, maar het is ook een kennen met het Hart. Ik lijd mee, zegt God, Ik lijd eraan, en "Ik daal af om mijn volk te bevrijden uit de macht van Egypte."
Nog vóórdat God afdaalt, nog vóórdat Hij zijn daden laat zien, laat Hij al merken dat Hij betrokken is op ons leven. We hebben contact met God door de natuur, door de schepping, door de schoonheid en de macht van het geschapene. We hebben contact met God door zijn woorden, wij hebben contact met God door de sacramenten, de heilstekenen, maar er is ook nog een contact met God persoonlijk, met het innerlijk van God, met zijn Hart, met zijn medelijdend Hart. Dat was wat er gebeurde in dat visioen dat Mozes had in de woestijn. En heel het volk, wij allemaal hebben daaraan deel. Dat is de binnenkant van wat wij hier samen vieren.
God wil ook zo heten: één en al betrokkenheid; Hij die is. Als het volk er naar vraagt, hoe moet ik U dan noemen, vroeg Mozes? "Ik ben die is, antwoordde God. Hij die is", Hij is de Aanwezige, Hij is de Betrokkene. Hij is er niet zomaar, nee, Hij is één en al betrokkenheid.
In het geloof in die God zijn wij bij het heilig Doopsel ondergedompeld. Dat wil zeggen: zijn betrokkenheid gaat zó ver, dat Hij ons niet alleen tot object maakt van zijn betrokkenheid, maar ook tot subject. Dat wijzelf kinderen worden van God. Dat wij de heilige Geest ontvangen.
Dat grote gebeuren mogen wij nog eens opnieuw aan ons laten gebeuren in de zegening van het water en de besprenkeling ermee.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas
In die tijd waren er bij Jezus enkele mensen
die Hem vertelden wat er gebeurd was met de Galileeërs,
van wie Pilatus het bloed
met dat van hun offerdieren had vermengd.
Daarop zei Jezus:
Denkt ge, dat onder alle Galileeërs
alleen deze mensen zondaars waren,
omdat zij dat lot ondergaan hebben?
Volstrekt niet, zeg Ik u.
Maar als gij u niet bekeert,
zult ge allen op een dergelijke manier omkomen.
Of die achttien die gedood werden
doordat de toren bij de Silóam op hen viel:
denkt ge dat die alleen schuldig waren
onder alle mensen die in Jeruzalem woonden?
Volstrekt niet, zeg Ik u.
Maar als gij niet tot bekering komt,
zult ge allen op eenzelfde wijze omkomen.
Toen vertelde Hij de volgende gelijkenis:
Iemand had een vijgenboom die in zijn wijngaard geplant stond;
hij kwam zoeken of er vrucht aan zat, maar vond niets.
Toen zei hij tot de wijngaardenier:
al sinds drie jaar kom ik aan deze vijgenboom vruchten zoeken
maar ik vind er geen.
Hak hem om! Waartoe put hij nog de grond uit?
Maar de man gaf hem ten antwoord:
Heer, laat hem dit jaar nog staan;
laat mij eerst de grond er omheen omspitten
en er mest op brengen.
Misschien draagt hij het volgend jaar vrucht;
zo niet, dan kunt ge hem omhakken.
Homilie
Heer, laat hem dit jaar nog staan. Laat mij eerst de grond er omheen omspitten en er mest opbrengen. Misschien draagt hij het volgend jaar vrucht." Omspitten, het onderste boven brengen, het onderste boven keren, dat moet er met de grond van ons hart gebeuren om het woord van God zo te kunnen ontvangen, dat het ook vrucht draagt. Denkt u maar aan de gebeurtenis boven op de berg, waar we vorige week zondag over gehoord hebben in het evangelie. Vóórdat de Vader van Jezus het woord richtte tot zijn leerlingen, kwam er eerst een wolk. Ze werden eerst ondersteboven gekeerd: door vrees bevangen gingen ze plat op de grond liggen. Toen pas hoorden zij die woorden: "Dit is mijn Zoon, de Uitverkorene, luistert naar Hem" (Lc 9,35).
Stel je open voor zijn ondersteboven kerende woorden van het lijden. Want als dat omspitten van de grond van je hart niet gebeurt, heeft het woord van God geen effect. Het gaat er dan niet bij je in. Eerst wordt er eerbied, ontvankelijkheid en luisterbereidheid van je gevraagd. Eerst moet het hart open, anders kun je zijn genade wel ontvangen, de woorden van de Schrift en de uitleg erbij wel horen, maar het doet je niets, het gaat langs je heen. Zoals Paulus ons vertelt in de tweede lezing, wat er met de vaderen gebeurde die "allen onder de wolk zijn geweest, allen door de Zee zijn getrokken, allen door wolk en zee in Mozes zijn gedoopt, allen hetzelfde geestelijke voedsel aten en dezelfde geestelijke drank dronken. Zij dronken uit dezelfde geestelijke rots, Christus, die met hen meeging. Maar in de meesten van hen heeft God geen welbehagen gehad."
U kent dat allemaal uit eigen ervaring. Er zijn van die dagen, of perioden, dat je hart er niet naar staat. Het wordt je allemaal gezegd, maar het zegt je niets, het doet je niets. Dat kunnen wij ook bij onze tijdgenoten zien, bij onze geloofsgenoten. Ze hebben allemaal de schatten van ons geloof uitgedeeld gekregen. Ze hebben de sacramenten ontvangen, ze zijn goed opgeleid in hetzelfde geloof, maar het heeft geen wortel geschoten, zodat toen de welvaart kwam, en de bekoringen van die welvaart en de genoegens van het leven, zij het woord van God de rug hebben toegekeerd. Zo'n omspittende, omverwerpende kracht kan ook schuil gaan in de gebeurtenissen van het leven. De meeste wijsheid die de mensen ontvangen, ontvangen ze via het leven, via levenservaring, levenswijsheid. Als alle lessen van ouders, opvoeders, predikanten, en leraren niet hebben geholpen, dan zijn meestal de lessen van het leven nog wel in staat om met hun omspittende, ondersteboven werpende kracht het hart van de mensen ontvankelijk te maken. Rampen bijvoorbeeld, terreurdaden, ongelukken, aardbevingen. Ze doen de mensen opschrikken. Ze worden zich bewust van de betrekkelijkheid van het leven, van de valse veiligheid van het gewone menselijke bestaan. Rampen geven de mensen het gevoel dat ze het leven niet in eigen hand hebben, dat ze zijn aangewezen op de beschermende hand van een God die niet van deze wereld is, die boven het vergankelijke staat en die betrokken is op het wel en wee van de mensen. Rampen kunnen genademiddelen zijn, die de mensen, weliswaar met harde hand maar heel effectief, naar God kunnen brengen.
Bij de Joden echter dreigde dat niet te werken. Wie de ramp van nabij gadesloeg, zelf de dans was ontsprongen, werd niet wakker geschud uit zijn dommel, uit zijn dommel van onbevangenheid, argeloosheid en zelfgenoegzaamheid. Integendeel, hij werd er juist in bevestigd, want wie niet door de ramp werd getroffen, wie gespaard werd, die gaf de mensen het idee dat zíj rechtvaardig waren. Dan was je geen zondaar. Het was een teken dat je goed zat, dat je uitverkoren was. Van die denkwijze probeerde Jezus zijn mensen te bevrijden naar aanleiding van wat er gebeurd was met die Galileeërs. Soldaten van Herodes hadden hen neergeslagen en hun bloed vermengd met dat van de offerdieren. Dat was tegen de mensenrechten én het was tegen Gods wet. Het was een vermenging van moord en van schennis van Gods majesteit, heiligschennis. Daarom zei Jezus dan ook: "Denkt ge dat onder alle Galileeërs alleen deze mensen zondaar waren, omdat ze dat lot ondergaan hebben?" Ja, dat dachten ze. Zij dachten echt, dat het een straf van God was voor een zondige levenswandel. Gaat het je slecht, dan is dat een teken dat je slecht hebt geleefd. Gaat het je goed, ontspring je de dans, dan is dat een beloning van God voor een goed leven. Weg is de weldadige relativering van aardse zekerheden. Integendeel, het aardse welzijn wordt nog eens opgewaardeerd als een teken van Gods welgevalligheid.
Datzelfde hebben mensen ook in onze dagen. Er zijn mensen, die op zo'n ramp als er dezer dagen gebeurde in Haïti, reageren alsof dat een straf is voor de zonde. Ze gaan als het ware buiten het gewone menszijn staan en oordelen erover als God: dat is straf voor de zonde. Ze worden er niet aan herinnerd, dat hun hetzelfde kan overkomen. Nee, ze zien zich als rechtvaardigen, levend tussen zondaars; ze staan er buiten en er boven. Daardoor laten ze ook geen gevoelens van medelijden in zich toe, waartoe zij als mens geroepen zijn, maar zij verheffen zich boven het gewone menszijn. Ze verheffen zich als de rechtvaardigen boven de anderen die zondaar zijn. En dat is niet alleen onchristelijk, maar ook nog eens onmenselijk. Men verheft zich boven de verloste mensen.
Wat deed Jezus toen Hij de ramp voorspelde die er over Jeruzalem zou komen, omdat zij de dagen waarin barmhartig op hen werd neergezien, niet hebben erkend. Ze zullen door vijanden worden omringd. De muren zullen worden verbrijzeld. Er zal in hen geen steen op de andere gelaten worden. Ze zullen helemaal te ondersteboven gekeerd worden. Maar hoe beleefde Jezus dat terwijl Hij dat voorspelde? Hoe keek Hij daarnaar? Als straf voor de zonde? Ja, ergens zei Hij dat, maar tegelijkertijd weende Hij over Jeruzalem. Hij brak uit in een rouwklacht. Ook in Hem ging op dat moment het onderste boven. Terwijl zijn toorn over Jeruzalem kwam, werd Hij geleid door gevoelens van medelijden (vgl. Lc 19,41-45).
Het kan zijn, dat wat de mensen overkomt vanwege hun zonden is, dat daardoor de kracht van de negatieve krachten greep krijgen op het menselijk geslacht. Dat is een gevolg van de zonde. Hoe overleef je dat? Op de eerste plaats kan het ook jezelf overkomen, en op de tweede plaats: het medelijden moet altijd zoals bij Jezus de voorrang krijgen boven de toorn en boven het oordeel. En hoe is het dan met ons die niet door rampen worden getroffen? Waarom is dat? Jezus zegt: Dat is uit medelijden, dat is uit geduld. "Laat hem dit jaar nog staan. Spit eerst de grond eromheen om, breng er mest op, misschien dat hij het volgend jaar vrucht voortbrengt." Het is dus een uitstel, een amnestie. Het is geduld om ons gelegenheid te geven ons alsnog te bekeren.