Zondag Gaudete
Eerste lezing: Sefanja 3,14-18a
Tweede lezing: Filippenzen 4,4-7
Evangelie: Lucas 3,10-18
Inleiding
'Gaudete in Domino semper,' 'Verheugt u in de Heer te allen tijde,' zongen we in het intredelied. Wees blij, want er is nog altijd duizendmaal meer reden om je te verheugen, dan om niet blij te zijn. Ook al is er van alles wat ons tegenstaat, God komt ons tegemoet. 'Dominus prope est,' 'De Heer is nabij.' Heel de geschiedenis is als een lange nacht, maar we zijn gekomen aan het moment waarop de dageraad aanbreekt; daarom heet deze zondag: 'Gaudete,' 'Verheugt u.' In het Oosten begint het te gloeien, rood, roze, vandaar de kleur van het kazuifel. Het licht breekt door. Dat kan niet meer ongedaan gemaakt worden. Als God ergens aan begint, maakt Hij het ook af. Een straal van dat licht is bij ons heilig doopsel in ons hart gevallen. Daarom kan het nooit meer helemaal donker, helemaal somber in ons zijn. Dat licht van God in ons hart, dat Gods komst aankondigt, is niet meer uit te doven. Laten wij ons daarom verheugen, steeds meer verheugen. Dat dit ook de inzet moge zijn van deze kleine viering aan het begin van de heilige eucharistie, waarin wij ons doopsel hernieuwen.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas
In die tijd stelde de mensen Johannes de vraag:
Wat moeten wij dan doen?
Hij gaf hun ten antwoord:
Wie dubbele kleding heeft,
laat hij delen met wie niets heeft
en wie voedsel heeft, laat hij hetzelfde doen.
Er kwamen ook tollenaars om gedoopt te worden
en ze vroegen hem:
Meester, wat moeten wij doen?
Hij zei hun:
Niet méér vragen dan voor u is vastgesteld.
Ook soldaten ondervroegen hem:
En wij, wat moeten wij doen?
Hij antwoordde:
Niemand uitplunderen, niemand iets afpersen,
maar tevreden zijn met uw soldij.
Omdat het volk vol verwachting was
en iedereen zich aangaande Johannes de vraag stelde,
of hij niet de Messias zou zijn,
gaf Johannes aan allen het antwoord:
Ik doop u met water,
maar er komt Iemand die sterker is dan ik;
ik ben niet waardig de riem van zijn sandalen los te maken.
Hij zal u dopen met de heilige Geest en met vuur.
De wan heeft Hij in zijn hand
om zijn dorsvloer grondig te zuiveren
en zijn tarwe te verzamelen in de schuur,
maar het kaf zal Hij verbranden in onblusbaar vuur.
Zo, en met nog vele andere vermaningen,
verkondigde Johannes aan het volk de Blijde Boodschap.
Homilie
De Heer is nabij," zegt sint Paulus in de tweede lezing. Hij is zo nabij dat zijn aanwezigheid, zijn nabijheid tot vreugde stemt en alle zorgen en verdriet als het ware opneemt in zorgeloosheid en vreugdevolle onbekommerdheid. "De Heer is nabij," zegt sint Paulus tot zijn parochianen in Filippi. Maar in die tijd was de Heer toch al gekomen? Wat zijn we er nu eigenlijk op vooruit gegaan sinds de tijd dat Hij hier op aarde is gekomen? We zijn eigenlijk nog even ver als vóór zijn komst. Ja, het lijkt erop dat Hij ná zijn komst nog verder van ons verwijderd is dan vóór zijn komst, want voor zijn komst heette het, u hebt dat in de eerste lezing uit de profeet Sefanja kunnen horen: "De Heer, de Koning van Israël blijft bij u, en: De Heer, uw God, is bij u
" Is Hij er nu wel of moet Hij nog komen?
"Het volk was vol verwachting en iedereen stelde zich aangaande Johannes de Doper de vraag, of hij niet de Messias zou zijn, of deze al in hem wás gekomen. Nee, zei Johannes de Doper, ik ben de voorloper, ik doop u met water. Maar er komt iemand die sterker is dan ik; ik ben niet waardig de riem van zijn sandalen los te maken. Hij zal u dopen met de heilige Geest en met vuur. Ík ben het niet en Hij is er nog niet, maar Hij komt. En áls Hij dan gekomen is, stelt diezelfde Johannes de Doper vanuit de gevangenis aan Jezus de vraag: Zijt Gij de Komende, of hebben wij een ander te verwachten?" (Lc 7,19; Mt 11,3)). Is Hij nu gekomen, of niet?
Wat voor iemand verwachtten ze nu eigenlijk? Iemand met een sterke hand, iemand als een sterke held, zoals de profeet Sefanja zei: "De Heer, uw God, is bij u als een reddende held, of zoals Johannes zei: De wan heeft Hij in zijn hand om zijn dorsvloer grondig te zuiveren, om een grondige zuivering door te voeren in maatschappij en kerk, en zijn tarwe te verzamelen in de schuur, maar het kaf zal Hij verbranden in onblusbaar vuur." Hij had een soort scheiding van de geesten voor ogen, de goeden beloond, de kwaden gestraft. Maar er gebeurde niets. Niks te zuiveren, niks te straffen, niks te belonen. Alles bleef bij het oude. Ja, lammen liepen, doven hoorden, blinden konden zien, maar dat waren nu net de werken waar niemand op zat te wachten. Wat is dan het teken? Wat is nu het teken van zijn komst, het teken dat Hij het werkelijk is? Maar is het niet zo dat van zijn werkelijke aanwezigheid evenmin een teken te geven is als van zijn komen, van zijn wederkomen. Helemaal geen teken, zegt Jezus, het zal er ineens zijn, zoals met de zondvloed, zoals met een aardbeving, die zie je niet aankomen, daar heb je geen zintuig voor.
Er is helemaal niets in je ervaringsveld wat er in de verste verte ook maar op kan wijzen dat Hij komt. Er is niets te zien. Hij komt namelijk vanuit een andere wereld, vanuit een andere dimensie, vanuit een andere ervaringswereld. Het is geen 'virtual reality' die mensen met digitale technologie te voorschijn kunnen toveren, maar het is een goddelijke realiteit, en vanuit die goddelijke werkelijkheid komt Hij en is Hij. Dát is zijn manier van komen en zijn manier van aanwezig zijn. Dat was óók de manier waarop Hij Zich tussen de mensen bewoog. Er was niets aan Hem te zien, in ieder geval niets bijzonders. Er werd zelfs van Hem gezegd: "Is Hij niet de zoon van de timmerman? Heet zijn moeder niet Maria en zijn broeders Jakobus, Jozef, Simon en Judas? Wonen zijn zusters niet allen bij ons?" (Mt 13,55,56). Hoe kan Hij dan zeggen dat Hij uit de hemel komt? Er moet toch iets van te zien zijn, iets hemels? Daarom vragen de Farizeeën en de Sadduceeën Hem ook om een teken uit de hemel (Mt 16,1). En u weet het antwoord. Een teken uit de hemel? "Geen teken zal dit boos en overspelig geslacht gegeven worden (Mt 16,4). Maar als jullie nu persé een teken willen zien, dan zal Ik jullie zeggen wat voor teken je zult krijgen: het teken van Jona! Zoals namelijk Jona drie dagen en drie nachten verbleef in de buik van het zeemonster, zo zal de Mensenzoon - en dát is dan zijn teken - drie dagen en drie nachten verblijven in de schoot van de aarde" (Mt 12,40). Dat is nu precies het tegendeel van een teken. Hij is zelfs helemaal weg. Je kunt over Hem heenlopen, zoals je over een grafplaat kunt heenlopen. Hij is zó weg dat zijn vijanden hebben getriomfeerd. Een Redder die Zichzelf niet kan redden. "Gij daar, die de tempel afbreekt en in drie dagen weer opbouwt, red Uzelf; kom dan van dat kruis af" (Mt 27,40; Mc 15,30,31; Lc 23,35-37). Geen teken dus. Zo zal het ook zijn bij zijn tweede komst. Vooraf zal er niets te zien of te merken zijn, ineens zal Hij er zijn.
Nu is Hij er, maar zónder teken. Eigenlijk is dat ook al wat Johannes de Doper zei. De mensen vroegen hem: "Wat moeten wij dan doen?" Wat zal het teken zijn in óns gedrag dat wij Hem verwachten? Daarop antwoordt hij: Je hoeft niets bijzonders te doen, je hoeft alleen maar dát te doen, wat je als mens moet doen. Als je méér hebt dan moet je dat delen met iemand die minder heeft. Als je soldaat bent moet je iemand niet uitplunderen. En als je een tollenaar bent, moet je gewoon je beroep uitoefenen en niet méér vragen dan voor je is vastgesteld. Allemaal niets bijzonders dus. Jezus gewoon mens, wij gewoon mens.
Hieruit kun je concluderen dat aan het oude menszijn met zijn kwalen, met zijn structuren, met zijn ondeugden, met zijn vele kwaad, met zijn tekorten, met zijn zwakheden niets verandert. Dat blijft. Maar wat is dan het nieuwe aan Jezus? Dat is een nieuwe Geest met daarin een nieuw vuur. "Hij zal u dopen met de heilige Geest en met vuur." En dat is níet het vuur van het oordeel, het onblusbare vuur waarin het kaf wordt verbrand, maar het zachte vuur van de heilige Geest, dat niet verslindt en verblindt, maar vergeeft. Dat is het vuur dat met zachte hand geneest, zoals Jezus. Lammen lopen, blinden zien, doven horen, melaatsen worden gereinigd en "aan armen wordt de Blijde Boodschap verkondigd" (Lc 4,18 vgl. Js 61,1-2).
"Uitermate verheugt Hij Zich om u, zei de profeet Sefanja, door zijn liefde maakt Hij u nieuw." Door zijn heilige Geest maakt Hij u nieuw. Dat doet Hij door u op een andere manier, vanuit een ander innerlijk, vanuit een nieuwe bezieling, het oude menszijn met zijn vele kwaad te dragen, verdragen, dulden, in de verwachting dat Hij zal doen wat wij niet kunnen en ook niet hoeven te doen: het kwaad wegnemen uit onze wereld. Wíj hoeven niets anders te doen dan het kwaad te laten wegnemen uit ons hart.
Dat is ons heilig geloof dat wij straks in de geloofsbelijdenis zullen vernieuwen.