Eerste lezing: Handelingen 5,27b-32.40b-41
Tweede lezing: Apocalyps 5, 11-14
Evangelie: Johannes 21,1-19
Inleiding
'Jubelt voor God, alle landen der aarde; bezingt de heerlijkheid van zijn Naam.' Wat is er nu zo heerlijk aan die Naam van God, dat alle landen als één persoon, met één stem die Naam moeten bezingen? De grootheid van God, zijn indrukwekkendheid en grote Naam is voor ons mensen vooral daarin ervaarbaar, dat Hij onze God wil zijn voor ons kleine mensen in de concrete setting van ons kleine, alledaagse bestaan, zo klein als wij waren toen wij het doopsel ontvingen. Soms zijn we niet eens gewenst door de mensen, maar door God aangenomen als zijn eigen kind, op dezelfde manier als zijn eigen Zoon, met dezelfde inzet, met dezelfde liefde.
In de tweede lezing kijken we samen met Johannes de evangelist naar wat er zich in de hemel afspeelt. Wat is daar te zien? Het Lam, als geslacht; zijn Bloed heeft Hij voor ons gegeven, zijn liefde tot het uiterste. Dat is gedenkwaardig, dat is vierenswaardig; dat is het vierenswaardige wonder dat wij vieren in de eucharistie en in elke eucharistische aanbidding. Ook in de zondagse eucharistie wanneer wij het heilig doopsel gedenken en opnieuw vieren.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes
In die tijd verscheen Jezus andermaal aan de leerlingen
bij het meer van Tiberias.
De verschijning verliep als volgt:
Er waren bijeen:
Simon Petrus, Thomas die ook Didymus genoemd wordt,
Natanaël uit Kana in Galilea,
de zonen van Zebedeüs en nog twee van zijn leerlingen.
Simon Petrus zei tot hen: Ik ga vissen.
Zij antwoordden: Dan gaan wij mee.
Zij gingen dus op weg en klommen in de boot,
maar ze vingen die nacht niets.
Toen het reeds morgen begon te worden,
stond Jezus aan het strand,
maar de leerlingen wisten niet dat het Jezus was.
Jezus sprak tot hen:
Vrienden, hebben jullie soms wat vis?
Nee, zeiden ze.
Toen beval Hij hun:
Werpt het net uit rechts van de boot, daar zult ge iets vangen.
Nadat ze dit gedaan hadden,
waren ze niet meer bij machte het net op te halen
vanwege de grote hoeveelheid vissen.
Daarop zei de leerling van wie Jezus veel hield tot Petrus:
Het is de Heer!
Toen Simon Petrus hoorde dat het de Heer was,
trok hij zijn bovenkleed aan
- want hij droeg slechts een onderkleed -
en sprong in het meer.
De andere leerlingen kwamen met de boot,
want ze waren niet ver uit de kust,
slechts ongeveer tweehonderd el,
en sleepten het net met de vissen achter zich aan.
Toen zij aan land waren gestapt,
zagen zij dat er een houtskoolvuur was aangelegd
met vis erop en brood.
Jezus sprak tot hen:
Haalt wat van de vis, die gij juist gevangen hebt.
Simon Petrus ging weer aan boord en sleepte het net aan land.
Het was vol grote vissen, honderddrieënvijftig stuks,
en ofschoon het er zoveel waren, scheurde het net niet.
Jezus zei hun: Komt ontbijten.
Wetend dat het de Heer was,
durfde geen van de leerlingen Hem vragen: Wie zijt Gij?
Jezus trad dichterbij, nam het brood en gaf het hun,
en zo ook de vis.
Dit nu was de derde keer dat Jezus aan de leerlingen verscheen
sinds Hij uit de doden was opgestaan.
Na het ontbijt zei Jezus tot Simon Petrus:
Simon, zoon van Johannes,
hebt ge Mij meer lief dan dezen Mij liefhebben?
Hij antwoordde: Ja Heer, Gij weet, dat ik U bemin.
Jezus zei hem: Weid mijn lammeren.
Nog een tweede maal zei Hij tot hem:
Simon, zoon van Johannes, hebt ge Mij lief?
waarop deze antwoordde: Ja Heer, Gij weet dat ik U bemin.
Jezus hernam: Hoed mijn schapen.
Voor de derde maal vroeg Hij:
Simon, zoon van Johannes, hebt ge Mij lief?
Nu werd Petrus bedroefd,
omdat Hij hem voor de derde maal vroeg: Hebt ge Mij lief?
en hij zei Hem:
Heer, Gij weet alles; Gij weet dat ik U bemin.
Daarop zei Jezus hem:
Weid mijn schapen.
Voorwaar, voorwaar Ik zeg u:
Toen ge jong waart, deed ge zelf uw gordel om
en ging waarheen ge wilde,
maar wanneer ge oud zijt, zult ge uw handen uitstrekken,
een ander zal u omgorden en u brengen waarheen ge niet wilt.
Hiermede zinspeelde Hij op de dood
waardoor hij God zou verheerlijken.
En na deze woorden zei Hij: Volg Mij.
Homilie
Ze vingen die nacht niets." Mensen werken soms te vergeefs. Vergeefs werken is frustrerend werken; gefrustreerd is hetzelfde woord als vergeefs, gemist. Hadden die vissers het dan niet goed aangepakt? Ze waren toch beroepsvissers, ze konden toch weten hoe je vis moet vangen. Ze kenden alle kneepjes van het vak. Maar deze vissers zijn geen gewone vissers, ze zijn mensenvissers geworden, in dienst niet van een mens of van een vakorganisatie, maar van de Heer. "Ik zal u vissers van mensen maken" (Mt 4,19; vgl. Mc 1,17). Dat betekent niet alleen dat ze een ander voorwerp hebben voor hun activiteit, geen vissen maar mensen, maar dat ze ook een andere opdrachtgever hebben: de Heer. Ze moeten vanuit een andere inspiratie gaan vissen, niet vanuit hun beroepsactiviteit en deskundigheid, vanuit hun menselijke inzichten, maar vanuit hun verbondenheid met Jezus. Ze moeten Hem méér gehoorzamen dan de mensen en zich in hun apostolaat meer door de aanwijzingen van de Heer laten leiden dan door hun eigen slimme, menselijke inzichten.
Er staat dan ook niet voor niets dat Jezus hun beval. Hij zei het hen niet, maar Hij beval hun. Hij zei het vriendelijk, maar wel gehoorzaamheid vragend: "Werp het net uit rechts van de boot, daar zult ge iets vangen. Dat is geen advies, maar een bevel. Eenmaal dat bevel te hebben opgevolgd, bewijst een menselijk onmogelijke vangst dat het inderdaad de Heer was. En dat zei de leerling van wie Jezus veel hield tot Petrus: het is de Heer."
Het is niet zo maar een verhaal van wat er ooit eens gebeurd is bij het meer van Tiberias, nee, hierin drukt zich het bewustzijn van de Kerk uit. Hier wordt beschreven wat er steeds opnieuw gebeurt in hun midden, in de Kerk. Steeds opnieuw zijn er frustraties, tegenslagen en teleurstellingen wanneer zij op eigen initiatief handelen, met hun eigen kracht, vanuit hun eigen wijsheid, gewoon als mens. Maar wanneer zij handelen vanuit de verbondenheid met de Heer en zich door Hem het werkterrein laten aanwijzen, hun apostolaatsmethode laten ingeven, de wijze van zich presenteren, hun houding, dan wordt het ineens anders: honderddrieënvijftig grote vissen in dat ene net. "Ofschoon het er zoveel waren, scheurde het net niet." Honderddrieënvijftig is volgens de kennis van de Oudheid het aantal soorten vissen dat de wateren van het aardrijk bevolken. Dat betekent dus, overgebracht op de werkelijkheid van de Kerk: honderddrieënvijftig soorten mensen. Alle mensen, alle rassen, talen en culturen zijn in de Kerk vertegenwoordigd, de volle katholiciteit, zonder dat net scheurt, zonder dat de eenheid verbroken wordt. "Ik heb nog andere schapen, die niet uit deze stal zijn. Ook die moet Ik leiden en zij zullen naar mijn stem luisteren en het zal worden: één kudde, één herder" (Joh 10,16).
Wat er in deze vergelijking gebeurde, dat het net niet scheurde, is nu precies wat Johannes in de hemel zag en hoorde: de stem van talloze engelen worden blijkbaar ervaren als zingend uit één mond. "Hun getal was tienduizenden tienduizendtallen en duizenden duizendtallen.
Elk schepsel in de hemel en op aarde en onder de aarde en in de zee, het ganse heelal hoorde ik roepen (als uit één mond en met één stem): aan Hem die gezeten is op de troon en aan het Lam zij de lof en de eer en de roem en de kracht in de eeuwen der eeuwen. En de vier levende wezens zeiden 'Amen.' En de oudsten vielen in aanbidding neer."
Dat is de liturgie in de hemel en dat is ook de liturgie hier op aarde. Wat wij hier vieren, is een deelname aan de hemelse liturgie, zoals het in het Sanctus wordt gepresenteerd. Het zijn de cherubijnen en de serafijnen in wier gezelschap wij zijn opgenomen. In het eucharistische gebed wordt ons een hemelse eredienst voorgehouden waarin wij nu al zijn opgenomen. Dat alleen al is een veelvragende opgave van ons aanwezig zijn bij de heilige eucharistie.
Het gaat echter nog een beetje verder, want van ons wordt verlangd dat wij God dienen met heel ons wezen, in al ons doen en laten, in ons denken en spreken, niet alleen in de kerk, maar ook buiten de kerk. Er wordt van ons gevraagd dat wij die liturgie blijven voortzetten, dat wij steeds maar weer in die verhouding van eenheid met mensen blijven staan vóór de troon van God. En dat alles naar zijn aanwijzingen door de heilige Geest, die in ons getuigt, zoals u zo-even ook hebt horen zeggen door de apostelen voor het sanhedrin: "Van dit alles zijn wij getuigen, maar ook de heilige Geest die God geschonken heeft aan wie Hem gehoorzamen."
Het evangelie van vandaag is vol van de eerbiedige houding ten aanzien van Jezus, ten aanzien van God. Die eerbiedige houding zit hem in de bereidwilligheid zijn wil te doen, ook in het hele kleine, of júist in het hele kleine. Als je je in zijn dienst weet, dan komt de rest vanzelf. Niet alleen maar buigen voor Hem wanneer je iets op het altaar te doen hebt, maar dat je ook in de omgang met elkaar buigt voor Hem in wiens dienst je het doet. Dan is de vruchtbaarheid van het werk gegarandeerd en veilig gesteld en is ook de eenheid gegarandeerd en veilig gesteld. Ze spreken in de hemel allemaal met één stem en hier in de eredienst zijn we allemaal één van geest en één van hart. Maar ook buiten de eredienst, buiten de Kerk is onze onderlinge eenheid gegarandeerd, veiliggesteld om te leven in gehoorzaamheid aan Jezus de Heer, die ons met zijn zachte stem, met de stem van de heilige Geest blijft sterken.