Vierde dag van het Kerstoctaaf
   Feest van de HH. Onschuldige Kinderen, martelaren


Eerste lezing: 1 Johannes 1,5-2,2 [IV 132];
Evangelie: Matteüs 2,13-18 [IV 133]


Inleiding  
 

De kleur van het kazuifel is alweer rood. Op tweede kerstdag vierden wij het feest van de heilige Stefanus, de eerste martelaar, en nu vieren wij het feest van de Onschuldige Kinderen, ook martelaren. Het is erg als onschuldigen kinderen en hun moeders moeten lijden. Maar het is een gemakkelijk martelaarschap, want zij ontberen wat het martelaarschap moeilijk maakt en ook verdienstelijk: je eigen wil afleggen. "Als gij niet opnieuw wordt als de kleine kinderen”, die geen eigen wil hebben, “zult gij het Rijk der hemelen zeker niet binnengaan" (Mt 18,3). Deze werkers van het eerste uur, deze eerste bloedgetuigen, krijgen het voor niets. Ze krijgen het even gemakkelijk als de werkers van het laatste uur (vgl. Mt 20,1-17). Precies als in de parabel wordt in hen getoond, dat God de genade - in dit geval de genade van het martelaarschap - geeft voor niets. En dat is wat de heiligen ook merken, dat zij die zich inzetten, die alle grenzen te buiten gaan, gedragen worden door een kracht, de kracht van God, die hun zwakheid en broosheid sterk maakt, zoals we in de prefatie van de martelaren zullen horen.
Dat wij ons niet door die Geest laten dragen, maar door onze eigen geest en onze eigen wil en het daardoor allemaal moeilijker maken, is dat niet onze zonde? Belijden wij dan onze schuld om deze heilige Geheimen goed te kunnen vieren.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs

Na het vertrek van de Wijzen
verscheen een engel van de Heer in een droom aan Jozef
en sprak:
“Sta op, neem het Kind en zijn moeder,
vlucht naar Egypte en blijf daar tot ik u waarschuw,
want Herodes komt het Kind zoeken om Het te doden.”
Jozef stond op
en week in de nacht
met het Kind en zijn moeder naar Egypte uit.
Daar bleef hij tot aan de dood van Herodes,
opdat in vervulling zou gaan
wat de Heer gesproken had door de profeet:
“Ik heb mijn zoon geroepen uit Egypte.”

Zodra Herodes bemerkte,
dat hij door de Wijzen om de tuin geleid was,
ontstak hij in hevige toorn.
Hij zond zijn mannen uit
en liet in Betlehem en heel het gebied daarvan
al de jongens vermoorden van twee jaar en jonger,
in overeenstemming met de tijd
waarnaar hij de Wijzen nauwkeurig had gevraagd.
Toen ging in vervulling
het woord dat door de profeet Jeremia gesproken was:
“Een klacht werd in Rama gehoord,
geween en luid gejammer:
Rachel, wenend om haar kinderen,
wil niet getroost worden,
omdat zij niet meer zijn.”

Homilie    


Twee profetische woorden in twee situaties uit de geschiedenis van Israël. Het eerste roept de situatie op van Israël in de slavernij van Egypte. "Ik heb mijn Zoon geroepen uit Egypte." En de tweede roept de ballingschap op. Heel de ellende van de slavernij in Egypte werd toen nog eens driedubbel herhaald en doorgemaakt. Daarop slaan de woorden: "Een klacht werd in Rama gehoord." Rama was het verzamelpunt voor de Israëlische ballingen op weg naar hun ballingsoord, Babylonië, een soort 'Durchgangslager', bekend uit onze dagen: Westerbork, waar Joden en andere ballingen werden verzameld om doorgevoerd te worden naar hun eindbestemming. Die nare herinneringen worden ons voor de ogen gesteld, voor de geest gehaald, vanwege de bevrijding daaruit. "Ik heb mijn Zoon geroepen uit Egypte", weggeroepen. En dat is niet alleen Mozes, maar heel zijn volk en wij achter hen aan. Het gaat de evangelist niet zozeer om de vlucht naar Egypte, als wel om de bevrijding, de verlossing uit Egypte, uit de slavernij, uit de slavernij van de zonde. Rachel staat voor de moeder van alle Israëlieten. "Rachel schreit om haar kinderen en wil niet getroost worden, omdat zij er niet meer zijn.” Deze klaagzang staat in Jeremia's troostboek. Direct op de rouwklacht volgt er: “Dit zegt de Heer: Houd op met schreien, droogt uw tranen. Er is uitkomst voor uw lijden, - Godsspraak van de Heer - uw kinderen keren terug uit het land van de vijand (zoals eertijds de Israëlieten uit Egypte). Er is hoop voor de toekomst: ze komen terug naar hun eigen land" (Jr 31,15-18).

Het volk keert terug uit Egypte, door God geroepen met dezelfde woorden als waarmee de engel sint Jozef toespreekt: "Trek op, want die het Kind naar het leven stonden, zijn dood." De terugkeer van Mozes gaat in vervulling bij Jezus Christus. En wat is nu een Mozes zonder volk? En wat zijn wij zonder Christus? En wat is Christus zonder ons? Het gaat niet om de vlucht, maar het gaat om de bevrijding. Deze Mozes, onze Heer Jezus Christus, neemt heel zijn volk mee. Jezus omvat heel zijn volk. "Toen Israël nog jong was, kreeg Ik het lief en uit Egypte heb Ik Hem geroepen, mijn Zoon", zo staat er bij de profeet Hosea (Hos 11,1).

Verschrikkelijk is het verscheurende verdriet van Rachel om de kinderen die in ballingschap werden gevoerd. Verschrikkelijk is ook het verdriet van moeders die op de één of andere manier moeten toezien dat hun kinderen zich van hen vervreemden. De razende spijt die moeders hebben als zij een kind in hun schoot hebben laten doden is eveneens een verschrikkelijk verdriet. Jarenlang kunnen moeders daardoor worden gemarteld. Maar door de geboorte van Jezus, de Zoon van God, is de gezichtseinder van de zondige mens een troostvolle gezichtseinder geworden. Troost krijgt de overhand op het verdriet. Wij, kinderen van Eva, ballingen op onze beurt, wij zijn met de heilige Geest in ons hart kinderen van God, vervuld van goede hoop, en die zal niet worden teleurgesteld.