Vrijdag in de vierde week
van de Veertigdagentijd
Eerste lezing: Wijsheid 2,1a.12-22
evangelie: Johannes 7,1-2.10.25-30  


Inleiding      

In het intredelied hoorden wij iemand in hoogste nood roepen: 'verlos mij'. En wíj staan hier allemaal zo rustig, zo veilig en beschermd. Eigenlijk kunnen wij die woorden niet echt goed van binnenuit zeggen. Dat kan alleen iemand die dat heeft meegemaakt. Jezus, de grote Aanwezige hier, heeft dat ten einde toe meegemaakt. Hij heeft die woorden geroepen toen Hij in grote nood was, in doodsnood. Maar tegelijkertijd is dat ook de situatie waarin veel mensen op dit ogenblik over heel de wereld leven, soms ook vanwege hun geloof. Vervolgd ten dode toe. Zij hebben datzelfde levensgevoel. In solidariteit met hen en met Jezus beginnen wij deze viering, waarin Hij "onder luid geroep en geween, gebeden en smekingen heeft opgedragen aan God die Hem uit de dood kon redden. Om zijn vroomheid werd Hij verhoord" (He 5,7).

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes

In die tijd trok Jezus rond in Galilea,
want Hij wilde dat niet in Judea doen
omdat de Joden er op uit waren Hem te doden.
Het liep tegen een van de Joodse feesten, het Loofhuttenfeest.
Toen zijn broeders naar het feest waren gegaan, vertrok Hij ook,
niet openlijk maar onopvallend.
Enkele Jeruzalemmers zeiden:
“Is dit niet de man die ze zoeken te doden?
En zie nu eens, Hij staat in het openbaar te preken
en men zegt Hem niets.
Zou de overheid nu werkelijk erkend hebben
dat Hij de Messias is?
Maar van deze man weten wij waar Hij vandaan is;
wanneer echter de Messias komt
weet geen mens waar Hij vandaan komt.”
Terwijl Jezus in de tempel leerde, riep Hij met luide stem:
“Gij kent Mij en gij weet waar Ik vandaan ben;
toch ben Ik niet uit Mijzelf gekomen
maar Die Mij gezonden heeft is waarachtig;
Hem kent gij niet.
Ik ken Hem omdat Ik uit Hem ben en Hij Mij heeft gezonden.”
Ze wilden zich van Hem meester maken,
maar niemand sloeg de hand aan Hem
want zijn uur was nog niet gekomen.

Homilie
 

In de beide lezingen van vandaag maken we mee hoe mensen een bedreigd leven leiden; hoe ze in hun bestaan zelf worden bedreigd, hoe onveilig ze zijn. In de eerste lezing horen we de goddelozen tegen elkaar zeggen: "Laten we met brutaliteit en kwelling hem aanpakken … Laten we hem tot een schandelijke dood veroordelen.” En het evangelie verhaalt hoe de Joden er op uit waren Jezus te doden. “Is dit niet de man die ze zoeken te doden? … Ze wilden zich van Hem meester maken, maar niemand sloeg de hand aan Hem want zijn uur was nog niet gekomen."

Doodsdreiging hangt boven het leven van Jezus, zijn hele leven lang, en het is goed hierbij ook te denken aan de velen die op dit moment leven in landen waar de Kerk vervolgd wordt. Dat zijn er op aarde meer dan een miljard. Dat lijkt allemaal ver weg, maar katholieken in onze samenleving, die trouw gebleven zijn aan de Kerk en hun geloof,  overkomt van de kant van hun omgeving wat de rechtvaardige overkwam in de eerste lezing: "Hij is ons tot een verwijt tegen onze opvattingen geworden; alleen al hem te zien is ons tot een last, want zijn levensstijl is anders dan van anderen en zijn gedrag ongewoon."

In zo'n situatie, waarin zo'n rechtvaardige moet leven en waarin Jezus verkeerde, waarin mensen in onze dagen verkeren, ver weg en dichtbij, vindt een proces plaats van uitstoting, van apartheid, van discriminatie, van verkettering en vervolging. Dat is bedreigend, angstaanjagend; de mensen die het overkomt zijn aangewezen op elkaar en vinden in elkaar een bescherming, een veiligheid, die als een mantel om hen heen valt. Mensen komen in eenzaamheid te verkeren. Daarvoor hoef je niet in een klooster te zijn. Kloosterlingen leggen wel de gelofte af van eenzaamheid, van niet trouwen, van geen man of vrouw hebben, geen kinderen, en het niet te zoeken in vriendschap of in een hobby of in het werk om de eenzaamheid enigszins te compenseren, maar eenzaamheid komt ook in het leven buiten het klooster voor. Er is meer eenzaamheid buiten het klooster dan erin, want in het klooster ben je (als het goed is) met gelijkgezinden.

In de samenleving is het een ratjetoe van meningen en leefstijlen, een allegaartje, met als enige samenbindende kracht wat de heilige Schrift pleegt te noemen: de wereld en al wat er in de wereld is: "het begeren van de lust, het begeren van de ogen, de hovaardij van het geld" (1 Joh 2,16). Wil je daar toch bij horen om dat gevoel van eenzaamheid niet zo sterk te beleven, dan zoek je contact in het oppervlakkige, in wat 'men' vindt, dan hoor je erbij. Maar het gevolg is, dat het contact steeds oppervlakkiger wordt. Als het maar over het oppervlakkige gaat, dan hoor je er bij. De wereld redeneert: vermijdt diepere onderwerpen, vermijdt het om Jezus echt te volgen. Pas je aan de leefstijl van de wereld aan, want als je dat niet doet, kom je alleen te staan. En van lieverlee raak je vereenzaamd. Hoe hou je dat nu uit (in de wereld)? Hoe beginnen mensen daaraan (om in het klooster in te treden)?

Dat kunnen ze omdat er een Ander is die hen doet volhouden of hen daar naartoe trekt. "Jezus werd door de Geest naar de woestijn gedreven" (Mt 4,1-11; vgl. Mc 1,12-13; Lc 4,1-13). Dat is naar de eenzaamheid, zoiets als een klooster, maar met dezelfde bekoringen als in de wereld, om stand te houden in die bekoringen waarvoor iedereen bezwijkt. In de eenzaamheid ontmoet je een Ander, zoals we hoorden in de lezing. "Hij noemt het einde der rechtvaardigen zalig … Hij beroemt er zich op dat God zijn Vader is … Hij noemt zich een kind van de Heer … Hij zal immers, naar zijn zeggen, toch beschermd worden door God." Daarom kan iemand het in de eenzaamheid uithouden. Daarom is die eenzaamheid hem liever dan de gemeenzaamheid van mensen die praten over dingen van niks.

In de eenzaamheid van de vervolging beleeft de vrome, de volgeling van Jezus, een kontakt dat boeiender is en waarin hij veel meer gedragen wordt, dan in de oppervlakkige contacten van de mensen om hem heen. Dat maakt dat hij het ook kan uithouden in de uiterste beproeving, met geduld en zachtmoedigheid, omdat hij weet dat zijn lot meer ligt in Gods handen dan in de handen van zijn vervolger. Ja, wij weten zelfs dat God van de wrede handen van de beulen gebruik maakt om zijn glorie te openbaren. Zijn glorie openbaart zich in het geduld en de zachtmoedigheid van de martelaar, en dat tot redding van hun beulen. Dat is eigenlijk het geheim van het christelijk leven en dat is het geheim van de eucharistie.

Dat zullen we nu dan ook gaan vieren. We verenigen ons met Jezus, door het lijden en de dood in zachtmoedigheid en geduld te dragen naar de verrijzenis, naar het nieuwe leven, om straks in de onderlinge omgang dat geduld en die zachtmoedigheid te kunnen opbrengen.