Hoogfeest van Maria Boodschap - Aankondiging van de Heer
Eerste lezing: Jesaja 7,10 -14 [IV 19]
Tweede lezing: Hebreeën 10,4-10 [IV 20]
Evangelie: Lucas 1,26-38 IV 21]
Inleiding
In de intredezang twee beelden uit de natuur: dauw en regen. Ze komen allebei van boven, vanuit de hemel, om beeld te zijn van de werkelijkheid van het feest van vandaag. Het feest van vandaag is dat de hemel zich verenigt met de aarde. De dauw en de regen vragen dat de aarde zich opent, zoals Maria, dat heel kleine stukje aarde, zich heeft geopend. Zij gaf haar jawoord. Zij opende haar hart én haar schoot om zo de Gezegende uit de hemel te ontvangen.
Op deze wijze is het ook gegaan bij de stichting van uw instituut. Het was maar een heel klein gebeuren, zo klein als het gebeuren in het kamertje in Nazareth, waar de engel binnenkwam om de hemelse boodschap te brengen, de Blijde Boodschap voor heel de wereld. Een heel klein gebeuren daar in Parijs, in het jaar 1653, een paar zustertjes, sjofel, arm, een uiteengeslagen communiteit, vluchtelingen uit Lotharingen, door de oorlog verdreven, maar toch werd dat het begin. Zoals de zon over de kim komt en dan heel de wereld verlicht, zo was dat ook bij het begin van uw instituut. Het mag een beeld zijn voor wat wij vandaag vieren en wat toen ook voor die eerste keer werd gevierd op 25 maart: De aankondiging van de Heer.
Onze geslotenheid, ons op onszelf betrokken zijn, is dat niet onze zonde? Dat u Hem zult binnenlaten in uw leven, zoals regen en dauw binnentreden in de aarde die zich opent.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas
In die tijd werd de engel Gabriël van Godswege gezonden
naar een stad in Galilea, Nazaret,
tot een maagd die verloofd was met een man die Jozef heette,
uit het huis van David;
de naam van de maagd was Maria.
Hij trad bij haar binnen en sprak:
Verheug u, Begenadigde, de Heer is met u.
Zij schrok van dat woord
en vroeg zich af, wat die groet toch wel kon betekenen.
Maar de engel zei tot haar:
Vrees niet Maria, want gij hebt genade gevonden bij God.
Zie, gij zult zwanger worden en een zoon ter wereld brengen,
die gij de naam Jezus moet geven.
Hij zal groot zijn
en Zoon van de Allerhoogste genoemd worden.
God de Heer zal Hem de troon van zijn vader David schenken
en Hij zal in eeuwigheid koning zijn over het huis van Jakob
en aan zijn koningschap zal nooit een einde komen.
Maria echter sprak tot de engel:
Hoe zal dit geschieden, daar ik geen man beken?
Hierop gaf de engel haar ten antwoord:
De heilige Geest zal over u komen
en de kracht van de Allerhoogste zal u overschaduwen;
daarom ook zal wat ter wereld wordt gebracht
heilig genoemd worden, Zoon van God.
Weet, dat zelfs Elisabeth, uw bloedverwante,
in haar ouderdom een zoon heeft ontvangen
en, ofschoon zij onvruchtbaar heette,
is zij nu in haar zesde maand;
want voor God is niets onmogelijk.
Nu zei Maria:
Zie de dienstmaagd des Heren;
mij geschiede naar uw woord.
En de engel ging van haar heen.
Homilie
De profeet Jesaja zei tot koning Achaz, toen deze niet om een teken uit de hemel wilde vragen: "De Heer geeft u ook ongevraagd een teken, een teken van zijn trouw aan het verbond, van zijn verbondstrouw: Zie, de maagd zal ontvangen en een zoon baren en zij zal Hem noemen 'Immanuël', 'God met ons'." Koning Achaz wordt een koningszoon in het vooruitzicht gesteld als teken dat het leven verder gaat, en tevens als een teken van Gods trouw aan zijn verbond. Jezus is dat teken van Gods trouw aan zijn verbond in de meest volledige zin. Hij is die trouw van God. Hij is het 'ja' van God in eigen Persoon, in eigen goddelijke, Godmenselijke Persoon.
Dat God dat nodig vond, heeft alles te maken met het feit dat de mensen ontrouw waren geworden aan het verbond en er in het geheel geen uitzicht op was dat zij ooit op hun schreden zouden terugkeren. Er moest een teken gesteld worden waardoor Gods trouw aan zijn verbond in de ontrouw, in de trouweloosheid, van de mensen, lijfelijk, lichamelijk gestalte zou krijgen. 'Het onverwoestbaar teken van het verbond tussen de hemel en de aarde', zegt een eucharistisch gebed. Vandaag treedt deze goddelijke Persoon, de geïncarneerde trouw van God aan de mensen, de geschiedenis binnen, ónze geschiedenis binnen. Hij neemt vlees en bloed aan, wordt een menselijke verschijning. God in onze geschiedenis!
Eigenlijk is het onmogelijk om zoiets te beschrijven, want het menselijke wordt geabsorbeerd in het goddelijke, zoals we dat in alle Godsverschijningen zien gebeuren. De mens wordt erdoor verpletterd, zoals we bij de profeet Jesaja zien die, toen hij Gods majesteit aanschouwde, uitriep: "Wee mij! Ik ben verloren! Ik ben een mens met onreine lippen en ik woon temidden van een volk met onreine lippen en mijn ogen hebben God, de Heer der legerscharen aanschouwd" (Js 6,5). Niemand kan in leven blijven als hij God heeft gezien.
Het goddelijke absorbeert het menselijke, óf het menselijke absorbeert het goddelijke. Dan wordt het iets gewoon menselijks, een menselijk onderonsje. De beschrijving van zo'n gebeuren, dat God binnentreedt in de menselijke geschiedenis, wordt dan iets invoelbaars, iets van heel nabij, warm, het gevoel aansprekend, maar dat is nog géén geloof. Dat heeft iets weg van wat Jezus overkwam in Nazareth. De mensen hingen aan zijn lippen, ze waren weg van Hem, van zijn woord, van zijn verschijning, van zijn genade, maar geloof hadden ze niet. Ze vroegen zich af: "Wat is dat voor een wijsheid die Hem is geschonken? En wat zijn dat voor wonderen die zijn handen verrichten? (Mc 6,2; vgl. Mt 13,54). Wegens hun ongeloof doen zij de goddelijke dimensies van zijn zending geen recht en kon Hij daar geen enkel wonder doen (Mc 6,5; vgl. Mt 13,58). Hij is één van ons, zeggen ze: Is dat niet de timmerman, de zoon van Maria en de broer van Jakobus en Jozef en Judas en Simon?" (Mc 6,3; vgl. Mt 13,55). Je voelt dat hier goddelijke dimensies teruggebracht worden tot menselijke.
Als de evangelist, zoals in het evangelie van vandaag, het er toch op waagt te beschrijven hoe God in de geschiedenis van de mensen binnentreedt, hoedt hij zich ervoor dat verhaal niet al te menselijk te maken, om aan de dimensies van het transcendente, van het goddelijke alle recht te doen. Eerst God! Eerst de eerbied! Precies zo hoort het ook in het gebed, anders wordt het een onderonsje, egotripperij, zelfanalyse, theologie of wat dan ook. Nee, eerst eerbied.
"De engel Gabriël werd van Godswege gezonden.
Hij trad bij haar binnen." De engel wordt van Godswege gezonden, daarmee lijkt het of God ver weg blijft, alsof Hij niet zelf komt, maar zijn engel zendt, 'van al so hooghe, van al so veer.' Toch treedt die goddelijke dimensie daar volop in het licht. Hij komt heel dichtbij. Dat wordt dan ook secuur beschreven: "Naar een stad in Galilea, Nazaret, tot een maagd die verloofd was met een man die Jozef heette, uit het huis van David; en de naam van de maagd was Maria."
Zo begint het verhaal van Gods menswording. Het begint met God, met een engel die van Godswege gezonden is, en zo eindigt het verhaal ook, want de laatste woorden zijn:"De engel ging van haar heen", terug naar God. Een engel van God ervoor en een engel van God erna. Een engel vóór en een engel ná. Daardoor wordt de aankondiging van de Heer gevat als in een aureool, in een goddelijke lichtglans. Een icoonschilder die het goddelijke nabij wil brengen, aanschouwelijk wil maken, begint eerst met het goud, legt eerst de goudlaag op het paneel van zijn voorstelling, als achtergrond, als ondergrond van wat hij aanschouwelijk wil maken. Zo wordt er in onze geschiedenis een heilige ruimte afgebakend door een hemelse omheining van een goddelijk gebeuren. Zoiets wat het kerkgebouw is temidden van de andere gebouwen en de Kerk, het volk van God, tussen de andere volkeren. Van Godswege gezonden, brengt het de transcendentie, de verhevenheid van God in de geschiedenis.
Maar tegelijkertijd is er ook dat nabije, dat menselijke, dat vertrouwelijke, dat eenvoudige, dat intieme. De engel komt binnen en de engel gaat van haar heen. Niet een apotheose van een Godsverschijning, zoals we dat bij Zacharias meemaakten. "Er verscheen hem een engel des Heren, staande aan de rechterkant van het wierookaltaar. Toen Zacharias hem zag, ontstelde hij en werd door vrees bevangen" (Lc 1,11.12). Bij de verschijning aan Maria gebeurt dat niet. Het gaat er heel stil aan toe, geruisloos, zoals wanneer de goede Geest binnenkomt in een ziel die helemaal op God geordend is. Als een druppel in een spons, zo komt de engel bij Maria binnen in haar woning, in de woning van haar hart. Er is voor de engel geen verschil tussen de woning van God, waar hij vandaan komt, de hemel, en de woning van Maria's huis en van Maria's hart. Beide ruimten zijn vervuld van Gods heilige aanwezigheid.
De engel komt, hij komt op eigen initiatief, hij wordt niet gevraagd, hij dient zich niet eerst aan, er is geen belofte dat er iemand gaat komen, dat Gods woord zich nu gaat vervullen, nee, hij komt vanuit eigen initiatief en het eerste woord dat hij zegt duidt dat ook aan: "Verheug U, Begenadigde, de Heer is met u. Zijn eerste woord is dus: De Heer is met u. Maria schrok van dat woord, een schrik die de engel moest opvangen met dat geruststellende woord: Vrees niet Maria, want gij hebt genade gevonden bij God." Die schrik moeten wij toeschrijven aan het feit dat Maria nooit aan zichzelf dacht, nooit aandacht had voor zichzelf, want zoals moeder Mechtildis zegt: 'Een steen kan niet strakker naar de aarde vallen dan Maria's aandacht gericht is op God.' En nu hoort zij: "De Heer is met u." Met mij? Hoe is dat nu mogelijk?
God heeft aandacht voor haar. Het perspectief wordt ineens omgekeerd. Zij die nooit enige aandacht had voor zichzelf, krijgt nu de aandacht van God. Ik, Maria, de geringe dienstmaagd, te gering om aandacht voor te hebben, ik, uitverkoren? Dat wordt uitgedrukt in de reactie op het woord van de engel dat ze de moeder van de Verlosser zal worden: "Hoe zal dat geschieden, daar ik geen man beken?" Want daar had ze nu juist afstand van gedaan. Dat is niet iets voor mij. Laat dat maar aan andere vrouwen over. Ik wil niets anders dan verlangen zonder dat dat verlangen ooit vervuld wordt in mijn eigen leven, in mijn eigen schoot. Maar wat Maria niet heeft willen en hoeven ontvangen op grond van haar eigen menselijke liefdesverlangen, mocht zij ontvangen op grond van het goddelijke liefdesverlangen: de heilige Geest. Zo heeft God het beschikt. "De heilige Geest zal over u komen en de kracht van de Allerhoogste zal u overschaduwen; daarom ook zal wat ter wereld wordt gebracht heilig genoemd worden, Zoon van God."
Het gebeuren vindt plaats op een goddelijke wijze, stil, zonder woorden. Maria spreekt geen woord, heeft geen inbreng. Haar enige inbreng is: geloof. "Zalig zij die geloofd heeft, dat tot vervulling zal komen wat haar vanwege de Heer gezegd is" (Lc 1,45). Als een druppel in een spons, hélemaal erin, als zalf in de huid, als heilige Geest in het menselijk hart. Helemaal menselijk en helemaal goddelijk.
Ook wij mogen dit aannemen in geloof. Zoals de boer het zaad laat vallen in de akker, in geloof dat er vrucht uit voortkomt zonder dat hij iets doet, zonder dat hij daar iets bij zegt of denkt; hij gelooft alleen maar. "Uit eigen kracht brengt de aarde vruchten voort" (Mc 4,28). Uit eigen Godmenselijke kracht brengt de heilige Geest vrucht voort in de schoot van Maria.
Zo kun je dus vreugde vinden ook als je van God niets ervaart, niets merkt. Niet dat er niets is, - niets is een teken van niets, - maar juist dat er zovéél gebeurt, omdat God aan je gebeurt, God die niet in het menselijk verstand en niet in het menselijk hart te vangen is, en dus ook niet gewaar te worden is. Daarvoor hoef je maar één ding te doen en dat is wat ook Maria heeft gedaan: de eigen wil los laten, het menselijke loslaten, het menselijke verlangen loslaten. Wat God heeft gedaan in Jezus: "Ik ben gekomen God, om uw wil te doen" (Joh 6,38), én wat Hij tenslotte ook vorm heeft gegeven in een Lichaam. 'Dit is mijn Lichaam', horen we in iedere eucharistie; het is de voortgezette menswording. Ik geef Mij helemaal, tot mijn Lichaam toe.
Zo wil God Zich aan ons geven en zo wil Hij dat wij onszelf geven aan Hem. Dat is ons heilig geloof dat we dan ook mogen uitzingen in het Credo: ik geloof.