Eerste lezing: Jeremia 11,18-20 [I 140]
evangelie: Johannes 7,40-53 [I 141]
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes
Bij het horen van Jezus' woorden
zeiden sommigen van het volk:
Dit is inderdaad de profeet.
Anderen zeiden:
Het is de Messias.
Weer anderen wierpen op:
Komt de Messias soms uit Galilea?
Heeft de Schrift niet gezegd
dat de Messias komen zal uit het geslacht van David
en uit Betlehem, het dorp waar David woonde?
Zo ontstond er dus om Hem verdeeldheid onder het volk.
Sommigen hunner wilden Hem gevangennemen,
maar niemand sloeg de hand aan Hem.
Toen dan ook de dienaars
bij de hogepriesters en Farizeeën terugkwamen
vroegen dezen hun:
Waarom hebt gij Hem niet meegebracht?
De dienaars antwoordden:
Nooit heeft iemand zo gesproken als die man.
Waarop de Farizeeën zeiden:
Hebt gij u soms ook laten bedriegen?
Heeft dan een van de overheden
of van de Farizeeën in Hem geloofd?
Dat volk, ja,
dat de Wet niet kent,
vervloekt zijn ze.
Maar één uit hun kring, Nikodémus
die vroeger bij Jezus gekomen was, merkte op:
Veroordeelt onze Wet iemand
zonder hem eerst te horen en te vernemen wat hij doet?
Zij gaven hem ten antwoord:
Zijt gij soms ook uit Galilea?
Zoek maar na en gij zult zien
dat de profeet niet uit Galilea opstaat.
Toen ging ieder naar huis.
Homilie
Komt de Messias soms uit Galilea?
Zijt gij soms ook uit Galilea? Iemand die het voor Jezus opneemt, krijgt dat te horen. Zoek maar na en gij zult zien dat de profeet niet uit Galilea opstaat." Waar iemand vandaan komt, de roep, de goede naam, wat om iemand heen hangt, heeft veelal niets met zijn persoon te maken.
Wanneer je van goede huize bent, uit een goede landstreek, een goede provincie, van een goede familie, van een goede geestelijke familie, deel je in de goede geur, de goede naam, zonder er zelf ook maar iets voor te hoeven doen.
Dat maakten de bewoners van Judea zo tevreden met zichzelf. Zij hadden een goede naam. Ze kwamen uit Judea, het Jodenland, zij waren echte Joden, zonder daarvoor ook maar iets te hoeven doen, zonder dat ook maar zelf als persoon, met de eigen vrije keuze, waar te hoeven maken. Daardoor ontstond er een zekere tevredenheid met zichzelf, zij maakten goede sier, hadden een naam waar ze zich achter konden verschuilen, zodat zij geen oog meer hadden voor Gods barmhartigheid, die alle grenzen en alle maten en alle namen overschrijdt, en zich niet stoort aan de tradities van de mensen, aan wat er nu zo toevallig onder hen gegroeid is. Daarom heeft Jezus zo'n voorkeur voor Galilea. Altijd maar Galilea, daar is Hij begonnen en daar eindigt Hij ook. Na de verrijzenis voert Hij zijn leerlingen mee naar de berg in Galilea.
In dit evangelie wordt er nogal eens opgemerkt: wat men zegt, wat men denkt, wat ze opwerpen. Wat is een mens toch gevoelig voor de publieke opinie, gevoelig voor wat men zegt. Dat is al zo oud als het evangelie. Het hoort er in thuis. Filippus ontmoette Natanaël en zei: "Degene waarover Mozes in de Wet geschreven heeft en ook de profeten, Hem hebben wij gevonden: Jezus, de zoon van Jozef uit Nazareth (Joh 1,45). Natanaël reageert vanuit wat men denkt: Uit Nazareth, kan daar iets goeds vandaan komen? (Joh 1,46) Dat is wat ze zeggen. Het is een spreekwoord geworden. Een slechte roep, maar het antwoord is: Kom dan kijken" (Joh 1,46).
Ga niet af op wat ze zeggen, ga af op je eigen ervaring. Ga af op je eigen geestelijke ervaring. Dáár moet iets gebeuren. Niet zoals bij Nikodémus in het nachtelijke gesprek met Jezus: "Rabbi, we weten dat Gij van Godswege als leraar gekomen zijt, want niemand kan die tekenen doen die Gij verricht, als God niet met hem is" (Joh 3,2). Dat is het weten van 'wij', van 'wij' mensen onder elkaar, ons soort mensen. Maar de overheden dan, die niet in Hem hebben geloofd? "Heeft een van de overheden of een van de Farizeeën in Hem geloofd?" Dat is een wij-groep, een in-groep zou je het misschien beter kunnen noemen.
Er moet iets diepers komen, een persoonlijke overtuiging. Jezus antwoordt dan ook: "Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u als iemand niet wedergeboren wordt, kan hij het Rijk Gods niet zien" (Joh 3,3). Als iemand niet geboren wordt vanuit omhoog, vanuit het doopsel in geloof, vanuit persoonlijk geraakt worden, betekent dat.
Daarom ziet Jezus ook niets in dat wondergeloof. "Als gij geen wondertekenen ziet, dan gelooft gij niet" (Joh 4,48), hoorden we Jezus nog onlangs in het evangelie zeggen. Want wondergeloof is een zakengeloof, dat heeft betrekking op wat je hebt. Echt geloof heeft betrekking op een persoon, echt geloven is je overgeven aan het wonder dat Jezus zelf is. Vanuit je geloof in Hem wordt er een heel nieuwe beweging op gang gebracht, een beweging naar God toe, heel je leven wordt dan ondersteboven gekeerd. Een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Dat is het eigenlijke wonder.
Zo gauw het iets van een massabeweging wordt, van 'men', 'wij', wij Joden of wij Galileeërs, trekt Jezus Zich terug. "Toen de mensen het teken zagen dat Hij had gedaan zeiden ze: Dit is stellig de profeet die in de wereld moet komen. Jezus trok Zich terug in het gebergte, geheel alleen" (Joh 6,14-15).
Is dat niet de functie van een slotklooster? Een reactie. Zo is het al in de derde eeuw begonnen, een reactie op de massificering van het christendom. Het werd een massabeweging, iets van iedereen, een sfeertje. Zo van: je moet katholiek worden, je moet je laten dopen. Toen de vervolgingen ophielden en het een veilig, makkelijk bestaan werd, toen de rek eruit ging, de persoonlijke confrontatie, het onder druk gezet worden door 'men', gingen ze de woestijn in, zodat het inderdaad een persoonlijke overtuiging was. Ze gingen als het ware het gevaar, de spanning opzoeken. Maar wat is er nu in de woestijn te vinden, wat hebben ze daar nu gezocht? God alleen!
Zo is het geloof in Jezus tot stand gekomen. "Toen zij dit hoorden zeiden velen van zijn leerlingen: Deze taal stuit iemand tegen de borst. Wie is er nog in staat naar Hem te luisteren (Joh 6,60). Tengevolge hiervan trokken velen van zijn leerlingen zich terug en verlieten zijn gezelschap (Joh 6,66). Mén ging weg, zé verlieten Hem. Dan vraagt Jezus aan de twaalf terwijl Hij in het midden van hun kring ging staan: Wilt ook gij soms weggaan?" (Joh 6,67) Hij stelt ze op de proef, Hij doet een beroep op hun persoonlijke keuze. Wat zeg jij nu? Of liever gezegd: Wat zeggen jullie nu, jullie als Kerk? Die ook dan als het ware een gemeenschappelijke overtuiging heeft, een gemeenschappelijk 'men', een gemeenschappelijke belijdenis. "Heer, naar wie zouden wij, mensen van de Kerk, door Petrus geformuleerd, naar wie zouden wij gaan? Uw woorden zijn woorden van eeuwig leven en wij geloven en weten dat Gij de Heilige Gods zijt" (Joh 6,68-69).
Dat wordt ons gegeven. Van het ene 'men', het 'men' van de wereld, - daarover zijn de mensen dan verdeeld, er bestond verdeeldheid onder hen, - naar het gemeenschappelijke 'men', dat het 'wij' is van de Kerk. En daar tussenin ieders persoonlijke overtuiging, ieders persoonlijke bekering, waarin wij van dag tot dag moeten groeien, ons steeds opnieuw bekeren. Dat wij er zelf achterstaan in de uitdagingen van het leven, in de uitdagingen van het ongeloof, in de uitdagingen van de publieke opinie.