Zijn vader en moeder stonden verbaasd
over wat van Hem gezegd werd.
Daarop sprak Simeon over hen een zegen uit
en hij zei tot Maria, zijn moeder:
Zie, dit Kind is bestemd
tot val of opstanding van velen in Israël,
tot een teken dat weersproken wordt,
opdat de gezindheid van vele harten
openbaar moge worden;
en uw eigen ziel zal door een zwaard worden doorboord.
Er was ook een profetes, Hanna,
een dochter van Fanuël uit de stam van Aser.
Zij was hoogbejaard,
en na haar jeugd had zij zeven jaar met haar man geleefd.
Nu was zij een weduwe van vierentachtig jaar.
Ze verbleef voortdurend in de tempel
en diende God dag en nacht door vasten en gebed.
Op dit ogenblik kwam zij naderbij, dankte God
en sprak over het Kind tot allen
die de bevrijding van Jeruzalem verwachtten.
Toen zij alle voorschriften van de Wet des Heren vervuld hadden,
keerden zij naar Galilea, naar hun stad Nazaret terug.
Het Kind groeide op en nam toe in krachten;
het werd vervuld van wijsheid
en de genade Gods rustte op Hem.
Homilie
Zijn ouders brachten het Kind Jezus naar Jeruzalem om het aan de Heer op te dragen. Dat was waarachtig niet om de hoek; nota bene drie dagreizen ver, vanuit het noorden van Galilea naar Jeruzalem. Kon dat dan niet thuis gebeuren, in Nazareth waar ze woonden? En waarom moeten wij naar de Kerk?
Met die gerichtheid naar de tempel daar begint het evangelie mee, hier, in het verhaal over het Kind Jezus dat in de tempel werd opgedragen, en het evangelie eindigt er ook mee, met de volwassen Jezus. Ook in ons leven is dat het geval. We worden gedoopt in de Kerk en we worden begraven vanuit de Kerk. Zondags gaan we naar de Kerk. En zelfs u (de zusters Benedictinessen van de Altijddurende Aanbidding), die dag en nacht bij Hem woont, hebt maar één ruimte waar u Hem ontmoet, zoals in de tempel. Telkens weer verlaat u uw eigen leef- en werkruimte om naar de Kerk te gaan.
Om naar de Heer te gaan moet je echt een stap zetten, een stap uit het gewone leven, omdat het gewone leven de neiging heeft zich op te sluiten in zichzelf, zich te verzelfstandigen, zich tot een eigen gesloten grootheid te maken. Gaat u maar na: je hebt een bepaald werk dat je af moet krijgen, daar ga je in op, dat neem je mee in het gebed. In menselijke verhoudingen heb je een bepaalde functie waar je op aangesproken wordt. Als je naar de Kerk gaat, moet je dat allemaal los laten. Ook wij staan hier als zomaar mensen. Daar zou je natuurlijk ook weer iets menselijks van kunnen maken, de verheerlijking van mens tot mens bijvoorbeeld, het humanisme, maar ook dat moeten we loslaten, want wij staan hier om God te verheerlijken, om iets goeds te zeggen van God, zoals Simeon: "Hij verkondigde Gods lof."
Het is wel zoiets zelveloos om niet te spreken over hoe goed je wel bent. Dat wordt nogal eens gedaan om een compliment terug te krijgen; een klein visje uitwerpen om een grote te vangen. Ook onder u behoort het tot de mogelijkheden om je in dat kleine groepje goed te voelen. Maar als je God wil prijzen, dan word je daar in zekere zin niet beter van, want God is Iemand die helemaal buiten je eigen kring staat. Zoals dat groepje mensen hier in het evangelie, Jozef, Maria, Simeon, Hanna, in hun hoedanigheid als mens zijn zij helemaal niets bijzonders. Ze hebben geen bepaalde functie, er wordt niet eens niet gezegd wie de hogepriester was in die dagen. Dat was volstrekt onbelangrijk. Er wordt met geen woord gerept over wie over Simeon was, wat zijn staat van dienst was. Ook over de Wijzen uit het Oosten wordt verder niets gezegd. De enige reden van hun bestaan en van hun voorkomen in de Schrift is hun ontmoeting met en de aanbidding van de mensgeworden God. God was de reden van hun bestaan.
Van Simeon staat er alleen dat hij "een wetgetrouw en vroom man was die Israëls vertroosting verwachtte." Hij leefde dus van iets anders dan waarvan de mensen doorgaans leefden. Hij leefde van een vervulling van Godswege. Dat wil zeggen: iets dat voor de mensen helemaal niet als zinvol werd gezien, iets dat, toen hij de Gezalfde des Heren eenmaal had ontmoet, zijn leven geen andere richting gaf. Aan de buitenkant ging het leven voor hem gewoon door alsof er niets gebeurd was. Dat is ook geen wonder, want de wonderlijke gewoonheid van dit hele gebeuren is nu juist de openbaring van de mensgeworden God, die dertig jaar in Nazareth zou leven, zonder dat Hij door iemand werd opgemerkt. Het opmerkelijke is dat ze nooit iets bijzonders aan Hem hebben gemerkt. Hij was maar heel gewoon de zoon van Jozef, de zoon van Maria; niets bijzonders dus.
Dat is dan ook de zin van de opdracht: je uit handen geven, je door God laten toe-eigenen. Toegeven dat je geen heer en meester van je eigen leven bent, maar een pachter, een beheerder, een rentmeester, een dienaar. God is de Heer van je leven. Ook het geven van eerstelingen had die bedoeling. De eerste van de oogst, de eerste uit de worp van de dieren, de eerstgeborene van het mannelijk geslacht. En het bidden van je ochtendgebed is ook zoiets als de eersteling geven. Het is uitstappen uit het leven dat je hebt gekregen, uit je omgeving, de natuur, de werkzaamheid, de vruchtbaarheid en dáárvan de eerstelingen afstaan, als teken dat je alles wat je hebt, van God gekregen hebt, en erkennen dat het van God is en blijft. Het zijn alleen maar verwijzingen, middelen van Hem van wie je eigenlijk bent.
Maar ondanks dat je van God bent, hoef je God niet te zien als de machthebber, zo van: denk eraan, je bent van Mij, of: Ik heb patent op je, nee, het gaat er allereerst om, om van Hem zijn goedheid en zijn barmhartigheid te ontvangen. Daarover hebben we toch gezongen in de intredezang: 'Wij hebben de barmhartigheid van God ontvangen', en die zullen we blijven ontvangen. We zijn zondige mensen, we hebben het niet verdiend, maar we krijgen toch geen straf, we krijgen zelfs goed voor kwaad, liefde voor haat. We zijn dus welkom, precies zoals Jezus dat was, toen Hij na zijn doop in de Jordaan in gebed was en "het geschiedde dat de hemel openging en de heilige Geest, in lichamelijke gedaante als een duif, over Hem neerdaalde, en een stem uit de hemel sprak: Je bent mijn Zoon, de Welbeminde, in U heb Ik mijn behagen gesteld" (Lc 3,21.22). Zó werd Jezus ontvangen door zijn Vader, en zo worden wij ontvangen elke keer als wij ons in de tempel, in ons binnenste, tot God keren.
God is anders ten opzichte van ons als wij ten opzichte zijn van Hem. Hij is een buitenstaander. Wij moeten moeite doen om uit ons leven uit te stappen en ons vrij te maken voor Hem. Hij heeft daar geen enkele moeite mee. Hij stapt zo uit zijn leven ons leven binnen, om ons met zijn gezelschap te verrijken. Hij geeft ons wat wij Hem niet kunnen bieden.
Dat is wat wij in iedere eucharistie vieren. We zijn door de viering van het Woord losgemaakt uit onszelf en vrij gemaakt voor Hem. Nu kan Hij naar ons toe komen, zodat wij ons met Hem kunnen verenigen.