Eerste lezing: 2 Samuël 18,9-10. 14b. 24-25a. 30; 19,3
Evangelie: Marcus 5, 21-43
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus
Toen Jezus weer met de boot overgestoken was,
stroomde veel volk bij Hem samen.
Terwijl Hij Zich aan de oever van het meer bevond,
kwam er een zekere Jaïrus, de overste van de synagoge.
Toen hij Hem zag viel hij Hem te voet en smeekte Hem met aandrang:
Mijn dochtertje kan elk ogenblik sterven,
kom haar de handen opleggen, opdat ze mag genezen en leven.
Jezus ging met hem mee.
Een dichte menigte vergezelde Hem en drong van alle kanten op.
Er was een vrouw bij die al twaalf jaar aan bloedvloeiing leed;
zij had veel te verduren gehad van een hele reeks dokters
en haar gehele vermogen uitgegeven, maar zonder er baat bij te vinden;
integendeel, het was nog erger met haar geworden.
Omdat ze over Jezus gehoord had, drong ze zich in de menigte naar voren
en raakte zijn mantel aan.
Want ze zei bij zichzelf:
Als ik slechts zijn kleren kan aanraken, zal ik al genezen zijn.
Terstond hield de bloeding op
en werd ze aan haar lichaam gewaar, dat ze van haar kwaal genezen was.
Op hetzelfde ogenblik was Jezus Zich bewust
dat er een kracht van Hem was uitgegaan;
Hij keerde Zich te midden van de menigte om en vroeg:
Wie heeft mijn kleren aangeraakt?
Zijn leerlingen zeiden tot Hem:
Gij ziet dat de menigte van alle kanten opdringt en Gij vraagt:
Wie heeft Mij aangeraakt?
Maar Hij liet zijn blik rondgaan om te zien wie dat gedaan had.
Wetend wat er met haar gebeurd was,
kwam de vrouw zich angstig en bevend voor Hem neerwerpen
en bekende Hem de hele waarheid.
Toen sprak Hij tot haar:
Dochter, uw geloof heeft u genezen.
Ga in vrede en wees van uw kwaal verlost.
Hij was nog niet uitgesproken,
of men kwam uit het huis van de overste van de synagoge met de boodschap:
Uw dochter is gestorven, waartoe zoudt ge de Meester nog langer lastig vallen?
Jezus ving op wat er bericht werd en zei tot de overste van de synagoge:
Wees niet bang, maar blijf geloven.
Hij liet niemand met Zich meegaan
behalve Petrus, Jakobus en Johannes, de broer van Jakobus.
Toen ze aan het huis van de overste kwamen,
zag Hij het rouwmisbaar van mensen die luid weenden en weeklaagden.
Hij ging naar binnen en zei tot hen:
Waarom dit misbaar en geween? Het kind is niet gestorven, maar slaapt.
Doch ze lachten Hem uit.
Maar Hij stuurde ze allemaal naar buiten en ging met zijn metgezellen
en de vader en moeder van het kind het vertrek binnen waar het kind lag.
Hij pakte de hand van het kind en zei tot haar:
Talita koemi; wat vertaald betekent: Meisje, Ik zeg je, sta op.
Onmiddellijk stond het meisje op en liep rond; want het was twaalf jaar.
En ze stonden stom van verbazing.
Hij legde hun nadrukkelijk op, dat niemand het te weten mocht komen,
en voegde eraan toe, dat men haar te eten moest geven.
Homilie
Vandaag is het in de lezingen allemaal dood wat de klok slaat. In het evangelie: "Mijn dochtertje kan elk ogenblik sterven.
Uw dochter is gestorven." Een vrouw die aan bloedvloeiing leed; twaalf jaar lang bloedverlies, verlies van levenskracht, verlies van leven. Ze werd er dodelijk moe van. En in de eerste lezing hebben we gehoord over de dood van Absalom, Davids eigen zoon. Het is al de derde keer dat wij in de lopende lezing uit het tweede boek Samuel David in rouw zien, treurend om een dode. De eerste keer was het bij de dood van koning Saul en zijn zoon Jonathan, de eerste was zijn vijand en de laatste zijn vriend. De tweede keer zien we David in rouw bij de dood van zijn eigen ziel na de dreigrede van de profeet Nathan. En nu rouwt hij weer om de dood van Absalom, zijn zoon, die zich tegen hem had gekeerd. Deze hing bij een achtervolging levend aan zijn lange haren in een eik en werd door Joab, de veldheer, met drie spiesen in het hart gestoken. Dood. Het hart van David echter was niet dood. Hij droeg geen dodelijke haat tegenover Saul, zijn doodsvijand, maar weende over hem evenzeer als over zijn boezemvriend Jonathan. Ook voelde hij in zijn hart een dodelijk verdriet over zijn grote zonde, en dat heeft hem tot leven gewekt. Het was een levenwekkend verdriet, een teken van de overlevingskracht.
Ook horen we vandaag hoe Davids vaderhart levend is gebleven jegens Absalom, zijn kind, die hem dodelijk vervolgde. Tegen de Kusiet zei hij dat hij diep geschokt was, terwijl deze hem in een soort overwinningsroes de dood van Absalom kwam melden. "Het was te wensen dat het alle vijanden van mijn heer de koning, allen die kwaad tegen u beramen, op dezelfde wijze verging als het de jongeman vergaan is. Hier spreekt duidelijk verachting uit en haat. Maar de koning trok zich diep geschokt terug in de bovenkamer van het poortgebouw; wenend liep hij op en neer, terwijl hij bleef roepen: mijn zoon Absalom, mijn zoon, mijn zoon Absalom." Zijn hart was niet dood. Ook hier weer geen dodelijke haat in zijn hart jegens zijn eigen zoon.
Jezus is leven in de dood. Daarom worden die voorvallen ook vermeld als een veraanschouwelijking wie Jezus is. Jezus is leven in de dood, in dodelijke omstandigheden. Hoe dikwijls wordt ons hart niet bedreigd met de dood? Dat kan de hele dag door gebeuren, op allerlei momenten. De ene keer ben je dodelijk verveeld, een andere keer ben je doodmoe, dan weer ben je dodelijk gefrustreerd, of je kunt je aan iets of iemand doodergeren. Als je in zo, n toestand bent, gaat er ook echt iets dood in je hart. Het kan zelfs zó zijn, dat er een moment van haat in je komt, dan sterft er iets in je hart, in je verhouding tot een ander. En wij maar denken dat we nog niet dood zijn. Nee, lichamelijk ben je ook niet dood, maar geestelijk kun je het leven al lang gelaten hebben door de zonde, door toe te geven aan dodelijke gevoelens, liefdeloze gevoelens en dat terwijl je Jezus bij de hand hebt.
Als je in zo'n dodelijke situatie, in dat doodgaan van je hart geen beroep op Hem doet, dan is ook je geloof dood. En dat is de ergste dood, want dan geloof je niet meer in Degene die leven geeft, die in staat is en bereid is en er op uit is om je in die dodelijke situatie van je hart tot nieuw leven te wekken. Het ergste is, volgens het evangelie, geen moed meer te hebben, geen geloof meer te hebben.
Jaïrus dat betekent: God wekt op, en Jezus zegt dat hem: Heb goede moed, hou vast aan je geloof waarmee je begonnen bent een beroep op Mij te doen. Ook wij moeten blijven geloven in de moeilijke omstandigheden van ons leven, en in nieuwe omstandigheden moeten wij steeds weer opnieuw een beroep doen op Hem. Dan zul je merken: je hart leeft op, er komt ruimte in je wezen, er komt nieuw leven in je dode hart.