Vrijdag in de vierde week
    van het even jaar
               


Eerste lezing: Sirach 47,2-11
Evangelie: Marcus 6,14-29


Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus

Toen koning Herodes over Jezus hoorde,
want zijn naam was bekend geworden, zei hij:
“Johannes de Doper is verrezen uit de doden
en daarom werken die wonderkrachten in hem.”
Maar anderen zeiden: “Het is Elia, en weer anderen:
Hij is een profeet zoals de andere profeten.”
Maar toen Herodes dit alles hoorde, zei hij:
“Neen het is Johannes, die ik onthoofd heb, die verrezen is.”
Herodes had namelijk zelf Johannes laten grijpen
en in de gevangenis in boeien geslagen omwille van Herodias,
de vrouw van zijn broer Filippus,
want hij had haar tot vrouw genomen.
Johannes had immers tot Herodes gezegd:
“Het is u niet geoorloofd de vrouw van uw broer te hebben.”
Herodias was daarom op hem gebeten en wilde hem doden,
maar zij kreeg geen kans, want Herodes had ontzag voor Johannes.
Hij wist dat hij een rechtschapen en heilig man was
en nam hem in bescherming.
Telkens wanneer hij hem gehoord had verkeerde hij in tweestrijd;
maar toch luisterde hij graag naar hem.
Er kwam echter een gunstige dag,
toen Herodes bij zijn verjaardag een maaltijd aanrichtte
voor zijn hoogwaardigheidsbekleders,
zijn hoofdofficieren en de vooraanstaanden van Galilea.
De dochter van Herodias trad op met een dans
en zij beviel aan Herodes en zijn tafelgenoten.
De koning zei tot het meisje: “Vraag me wat ge wilt en ik zal het u geven.”
En hij bevestigde haar met een eed:
“Wat ge me ook vraagt, ik zal het u geven, al is het de helft van mijn koninkrijk.”
Zij ging naar buiten en vroeg aan haar moeder: “Wat zou ik vragen?”
Deze antwoordde: “Het hoofd van Johannes de Doper.”
Zij haastte zich naar binnen, naar de koning
en zei hem haar verlangen:
“Ik wil dat u mij op staande voet op een schotel
het hoofd van Johannes de Doper geeft.”
Dit deed de koning leed, maar om zijn eed gestand te doen
en ook wegens zijn tafelgenoten wilde hij haar niet afwijzen.
Terstond stuurde de koning dus een lijfwacht
en gelastte hem het hoofd van Johannes te brengen.
De man ging en onthoofde hem in de gevangenis.
Hij bracht het hoofd op een schotel en gaf het aan het meisje;
het meisje gaf het weer aan haar moeder.
Toen zijn leerlingen er van gehoord hadden
kwamen ze zijn lijk halen en legden het in een graf.

Homilie  

Johannes is de voorloper van Jezus, en je zou David de voorloper kunnen noemen van Johannes. Alle drie zijn ze slachtoffer van het kwaad. En daarin overwinnaars. Johannes is eigenlijk een andere Elia. Dat wordt ook van hem gezegd: dat is Elia. En zo gaat hij de traditie in: Hij is een Elia. Eerst moet Elia komen, dat is Johannes de Doper. En ook Elia is het slachtoffer van het kwaad. U weet: hij vlucht de woestijn in, wenst zich dood, vervolgd als hij is door koningin Izebel. Zoals Johannes de Doper het slachtoffer is van de haat van Herodias. Dan gebeurt in Elia wat in alle mensen gebeurt wanneer ze geconfronteerd worden met het kwaad, wanneer ze het kwaad niet de rug toekeren, maar het gezicht toewenden. Duisternis, hij vlucht de woestijn in, wenst zich dood. Duister is het in hem geworden en hij heeft de neiging aan alles te gaan twijfelen.

Ook daarin zou men een parallel kunnen zien met Johannes de Doper. Ook hij werd slachtoffer van het kwaad. Hij was niet opgewassen tegen Herodias en tegen Herodes, die hij verweet dat hij Herodias, de vrouw van zijn broer Filippus, tot vrouw had genomen, wat volgens de Joodse huwelijkswetgeving niet mocht. In de gevangenis, waar hij werd opgesloten, zal hij ogenblikken gekend hebben waarin de dood hem een bevrijding geleken zal hebben. Maar hoezeer hij ook het slachtoffer is van die machtige bruut Herodes en zijn slimme, sluwe, doortrapte vrouw Herodias, hij is tenslotte de overwinnaar geworden, zodat wij hem tot op de dag van vandaag vieren. Hoeveel heten er niet naar hem en hoeveel doopkinderen zijn er niet naar hem genoemd? Hoe kon hij nu de overwinnaar worden? Op dezelfde wijze als waarop Elia de overwinnaar werd van het kwaad. En dat ging als volgt:
"Zie, de Heer trok voorbij. Een geweldige, heftige storm, die bergen en rotsen deed splijten ging er voor de Heer uit. Maar de Heer was niet in de storm. Na de storm kwam een aardbeving, maar de Heer was niet in de aardbeving. Na de aardbeving kwam het vuur, maar de Heer was niet in het vuur. Na het vuur kwam een zacht briesje. Toen bedekte Elia zijn gelaat met zijn mantel, ging naar buiten en trad voor de ingang van de grot. Toen ging de Heer aan hem voorbij" (1 Kon 19,11-14,). De Heer was ook niet in het zachte briesje, maar Hij was daarachter, in wat geen mens kan aanwijzen, in wat geen mens kan horen, in wat geen mens kan zien, daarin werkt de Heer. Achter de dood, achter de dood van alles wat kracht heeft, van daarachter werkt de Heer.

Wij moeten dus in de strijd met het kwaad een ommekeer maken. Wij willen het kwaad bestrijden met dezelfde middelen als waarmee het kwaad werkt. Met kracht, met menselijke kracht, met nog meer kracht er tegenin. Zoals Johannes de Doper de Messias verwachtte: als een storm, als een oordeel: "Reeds ligt de bijl aan de wortel van de boom” (Mt 3,10). Hij verwachtte de Messias als een vuur: “Hij zal u dopen met de heilige Geest en met vuur, de wan heeft Hij in de hand, Hij zal zijn dorsvloer grondig zuiveren en het kaf zal Hij verbranden in onblusbaar vuur (Mt 3,12). Zo stelde Johannes zich de Messias voor. “Toen hij hoorde van de werken van de Messias zond hij enige van zijn leerlingen naar Hem toe om te vragen: Zijt Gij de komende?” (Mt 11,3). Bent U dan wel de komende, U, die zo optreedt, zo zacht als die zacht zuiverende bries? En Jezus zegt daarop: “Gaat aan Johannes zeggen wat gij hoort en ziet: lammen lopen, blinden zien en aan armen wordt de Blijde Boodschap verkondigd" (Mt 11,4-5).

Zachte werken, met de zachte, genezende hand van Jezus, wiens stem men op straat niet zal horen en die de kwijnende vlaspit niet dooft en het geknakte riet niet breekt. Als een verwijzing: in de suizende bries is God niet, als een verwijzing naar die andere kant van waaruit God werkt. Zacht is ook de stem van het geweten. Zelfs in Herodes weet de evangelist deze stem nog hoorbaar te maken. Wat was deze schurk van een Herodes anders dan een bruut met een volkomen verhard geweten? Maar hier in het evangelie, in de evangelische traditie, wordt hij voorgesteld als een zwakkeling. Heen en weer geslingerd door de goede en slechte neigingen in hem. Hij is de speelbal van zijn omgeving. Hij heeft ook iets goeds in zich. Hij luistert naar de zachte stem van zijn geweten. Herodes had ontzag voor Johannes de Doper. Herodes wist dat zijn vrouw Johannes' dood zocht en nam hem in bescherming. Hij luisterde graag naar hem. Ergens wil hij het goede, maar het komt er niet van. Hij is in tweestrijd. Had hij maar wat beter geluisterd naar die zachte stem in zijn geweten.

Bij al het goede dat hij had, heeft hij een paar ondeugden laten zitten en dat is genoeg om groot kwaad te doen. Ten eerste de ongeordende liefde. Ten tweede de grootspraak. Door de drank vergroot en de eed daarbij: vraag wat je wilt. Al is het de helft van mijn koninkrijk. Ongeordende liefde, onbeheerste taal en tenslotte eerzucht. Vanwege zijn tafelgenoten laat hij het afweten, verstikt hij de zachte stem van zijn geweten. Hij wil zijn gezicht niet verliezen.
Je hoeft maar een paar ondeugden te hebben en je maakt het leven van een ander zo niet tot een hel, dan toch tot een zware beproeving. Deze zachte kracht is de kracht van Jezus' woord, die u nu in uw hart laat binnentreden en het is ook de kracht waarmee door zijn Lichaam en Bloed, zijn zelfgave, opnieuw, nog dieper, in uw hart kan binnentreden. Geef Hem de ruimte en wees gehoorzaam aan die stem.