Eerste lezing: 1 Koningen 3,4-13
Evangelie: Marcus 6,30-34
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus
In die tijd voegden de Apostelen zich bij Jezus
en brachten Hem verslag uit over alles wat zij gedaan
en onderwezen hadden.
Daarop sprak Hij tot hen:
Komt nu eens zelf mee naar een eenzame plaats
om alleen te zijn en rust daar wat uit.
Want wegens de talrijke gaande en komende mensen
hadden zij zelfs geen tijd om te eten.
Zij vertrokken dus in de boot naar een eenzame plaats om alleen te zijn.
Maar velen zagen hen gaan en begrepen waar Hij heenging;
uit al de steden kwamen mensen te voet daarheen
en ze waren er nog eerder dan zij.
Toen Jezus aan land ging zag Hij dan ook een grote menigte.
Hij gevoelde medelijden met hen,
want zij waren als schapen zonder herder;
en Hij begon hen uitvoerig te onderrichten.
Homilie
Want ze hadden zelfs geen tijd om te eten." Dat was wel het laatste wat er mag gebeuren. Het ergens druk mee hebben is goed, mensen mogen beslag leggen op hun tijd, maar er moet toch minstens tijd blijven om te eten. Want eten is in het Oosten, toen en nog steeds, de viering van het samenzijn, levensgemeenschap, dat je samen het leven deelt. En dat was toch waar ze toe geroepen waren. Hij riep tot Zich. Hij stelde er twaalf aan om Hem te vergezellen, om bij Hem te zijn, zodat Hij hen bij Zich zou hebben en zij Hem bij zich zouden hebben.
Nu ontstonden er situaties waarin het steeds moeilijker werd om Hem te vergezellen. Zelfs tot in het eten drongen mensen door. Steeds meer en langer dringen mensen zich tussen Jezus en de Apostelen in. Tegenwoordig zouden we zeggen: we hebben geen tijd meer om in onszelf te keren, om ons innerlijk te voeden aan zijn aanwezigheid. Salomo noemt dat: je voeden aan de goddelijke wijsheid. Als je geleefd wordt, en de dingen, de mensen, het werk, de natuur, het huishouden zoveel beslag op je leggen, dat je niet meer zelf leeft, dan kan Jezus ook niet meer leven in jou.
"Ze hadden zelfs geen tijd om te eten. Jezus weet daar wel iets op. Komt nu eens zelf mee naar een eenzame plaats." Dat is wat de Duitsers een 'Kurort' noemen, een rustoord. Nu is de woestijn - want die eenzame plaats is eigenlijk een ander woord voor woestijn - nu niet bepaald een rustoord, niet bepaald een plaats om vakantie te houden, om uit te rusten. Het is een oord van verschrikking, je zinnen worden er geweld aangedaan. Maar het is ook de plaats waar God op een bijzondere wijze met zijn volk is omgegaan, waarin Hij Zich aan hen heeft geopenbaard. Daarom voert Jezus hen naar dit heilsoord als Hij in het gewone leven geen kans krijgt.
Wat is er in de woestijn? Wat is er in onze woestijnsituatie? Je kunt beter vragen: Wat is er niet? Er zijn geen vijanden in de woestijn, er is geen farao, daar waren ze mooi vanaf. Er is dus niemand om je tegen af te zetten. Er zijn ook geen vijandige volken, zoals toen ze het Beloofde Land binnentrokken, niemand om tegen te vechten, niemand om tegen te concurreren, te wedijveren. Het is zoiets als wat er speelt tijdens een ziekte, en dan niet zo maar een ziekte, maar een ernstige ziekte, dan word je uit het leven weggehaald. Alles wat je bezig hield, valt weg.
In de woestijn gebeurde en gebeurt nog steeds hetzelfde als dat wat er ook in een klooster gebeurt. Je valt terug op jezelf. De bedoeling is om Jezus te vinden. Die vind je ook wel in de vieringen, in koorgebed, in de Regel, in het persoonlijke gebed. Maar wie kom je daar ook nog tegen? Jezelf, je verleden, mensen die in het verleden een onuitwisbare indruk op je hebben gemaakt met hun woorden, met hun daden, met hun handeling. Kortom, in het klooster kom je Jezus tegen én jezelf en anderen, en dat gezelschap moet aan elkaar wennen. Maar het is tegelijkertijd het gezelschap waar Jezus voor gekomen is. Hij is niet gekomen om de wereld te verbeteren. Nee, Hij wil, zoals de goddelijke Herder bij de profeet Ezechiël zegt: "zelf de verloren schapen weer bijeen brengen uit alle landen waarheen Ik ze heb verdreven. Ik breng ze terug naar de weiden. Het zieke dier genees Ik, het gewonde dier verbind Ik, het gezonde dier koester Ik" (Ez 34,16).
God draagt persoonlijk zorg voor ieder van ons. Hij wil niet alleen onze God zijn, Hij wil voor ieder míjn God zijn. Dáár komt Hij voor. Heel die menigte, de leerlingen, iedere mens afzonderlijk, lokt Hij in een oneindige variabiliteit van mogelijkheden in die woestijnsituatie. We moeten Hem achterna, om ons daar door de Goede Herder te laten verzorgen. Daar in de woestijn geeft Hij Zichzelf en in Zichzelf: rust. "Ik zal u rust en verlichting schenken (Mt 11,28).
Kom nu eens zelf mee naar een eenzame plaats om alleen te zijn en rust daar wat uit." Niet op die plaats, maar bij Jezus, bij zijn woord, bij zijn sacrament. Dat is deel hebben aan zijn werkelijke tegenwoordigheid, door alle tijden heen, door alle woestijnsituaties heen.