Zaterdag in de vierde week
   van het oneven jaar
                            Maria op zaterdag


Eerste lezing: Hebreeën 13,15-17.20-21 [II 47]
Evangelie: Marcus 6,30-34 [II 48]


Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus

In die tijd voegden de apostelen zich bij Jezus
en brachten Hem verslag uit over alles wat zij gedaan
en onderwezen hadden.
Daarop sprak Hij tot hen:
“Komt nu eens zelf mee naar een eenzame plaats
om alleen te zijn en rust daar wat uit.”
Want wegens de talrijke gaande en komende mensen
hadden zij zelfs geen tijd om te eten.
Zij vertrokken dus in de boot naar een eenzame plaats
om alleen te zijn.
Maar velen zagen hen gaan en begrepen waar Hij heenging;
uit al de steden kwamen mensen te voet daarheen
en ze waren er nog eerder dan zij.
Toen Jezus aan land ging zag Hij dan ook een grote menigte.
Hij gevoelde medelijden met hen,
want zij waren als schapen zonder herder;
en Hij begon hen uitvoerig te onderrichten.

Homilie  

“Ze hadden zelfs geen tijd om te eten."
Wat geeft dat eigenlijk? Het is toch allemaal in zijn dienst. Maar ze waren eigenlijk niet gekomen voor die drukte, om het druk te hebben, maar om Hem te volgen. "Hij riep ze tot Zich en Hij stelde er twaalf aan om Hem te vergezellen," om bij Hem te zijn. Om bij Hem te zijn, opdat Hij bij hen zou zijn. Dat zij Hem in hun midden zouden hebben, van Hem konden leven. Dáár was het om begonnen. En nu ontstaat er al doende, al verkondigende, een situatie waarin het steeds moeilijker wordt om bij Hem te zijn, om Hem te vergezellen. Steeds meer en steeds sterker dringen de mensen zich tussen Jezus en hen waardoor ze zelfs geen tijd hebben om te eten.

Dat is zoiets als zelfs geen tijd hebben om de mis te vieren en daar zal men toch echt iets aan moeten doen. Het eten is bij uitstek een situatie waar het gaat om de tegenwoordigheid van anderen. Het gaat niet om het voedsel alleen, dat kun je ook uit de muur halen, maar het gaat om de tegenwoordigheid van hen met wie je eet. Je eet met Hem. En als dat niet meer gaat, dan moet daar iets aan gedaan worden. Jezus gaat nu naar een situatie van alleen met Hem zijn. Dat is wel duidelijk: "Komt nu eens mee naar een eenzame plaats om alleen te zijn" … met Mij. Dat is  tegelijkertijd de uitgangssituatie van het verbond tussen God en zijn volk in de woestijn. Kom nu eens mee naar een eenzame plaats, naar een woeste plaats, een woestijnplaats.

Wat is er nu in de woestijn? Wat is er in de eenzaamheid? Je hebt er geen vijanden, die heb je mooi achter je gelaten in Egypte, in de wereld. Je hebt geen Farao en je hebt ook geen werk, je hebt niets om je aan waar te maken, je hebt niets om je tegen af te zetten en je hebt niets of niemand om ergens de schuld van te geven; je hebt alleen jezelf. Je valt terug op jezelf. Je hebt daar in die eenzaamheid en de stilte Jezus dan wel, zoals de Joden in de woestijn God alleen hadden. Maar dan gebeurt wat ook er gebeurt wanneer iemand in het klooster intreedt. De bedoeling is Jezus te vinden en die vind je ook wel in de vieringen, in de boeken, in de regel. Maar wie kom je daar ook nog tegen? Jezelf! Jezus en jezelf, dat is een gezelschap dat aan elkaar moet wennen. Jezus is daar eigenlijk ook voor gekomen. Hij komt niet om de wereld te verbeteren. Hij komt niet om de ongerechtigheid de wereld uit te helpen. Hij komt zelfs niet om iemand tot een deugdzaam mens te maken, maar Hij komt om Zichzelf aan iemand mee te delen, om Zich te verenigen. Om samen te zijn, zoals dat in dat samen eten gebeurt.

Je verstrooiingen nu geven haarscherp aan wat er in de weg zit tussen jezelf en Jezus. Dat is een heleboel, een hele wereld zelfs. Voordat je dat opgeruimd hebt! Daarvoor kom je in de stilte, in de woestijn, in de eenzaamheid, om dat allereerst op het spoor te komen. Als je die stilte en die rust, als je die eenzaamheid niet hebt, dan merk je al die dingen niet. Je identificeert je met de dingen die er zitten tussen jezelf en Hem. En nu dat in die stilte gaandeweg opgeruimd wordt, alles wat er tussen jezelf en Hem inzit, krijg je rust en verlichting. Maar het gaat niet om die rust en die verlichting zelf, het gaat om Jezus. Het is Jezus die je rustig maakt. Hij is, zoals de eerste lezing aan ons doorgaf, "de grote Herder van de schapen," die zijn Bloed heeft gegeven. Hij begon hen uitvoerig te onderrichten, nadat Hij Zich eerst als Herder had gemanifesteerd. Nadat Hij had gezegd en had laten blijken: Ik heb medelijden met deze schapen. Dat trekt de mensen van heinde en ver aan.
Zo is het niet alleen voor de leerlingen, maar zo is het voor iedereen. De stille dag van de leerlingen ging niet door, maar het wordt een stille dag voor mensen van heinde en ver, tot op de dag van vandaag.