Eerste lezing: Hebreeën 12,1-4
Evangelie: Marcus 5,21-43
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus
Toen Jezus weer met de boot overgestoken was,
stroomde veel volk bij Hem samen.
Terwijl Hij Zich aan de oever van het meer bevond,
kwam er een zekere Jaïrus, de overste van de synagoge.
Toen hij Hem zag viel hij Hem te voet
en smeekte Hem met aandrang:
Mijn dochtertje kan elk ogenblik sterven,
kom haar de handen opleggen,
opdat ze mag genezen en leven.
Jezus ging met hem mee.
Een dichte menigte vergezelde Hem
en drong van alle kanten op.
Er was een vrouw bij die al twaalf jaar aan bloedvloeiing leed;
zij had veel te verduren gehad van een hele reeks dokters
en haar gehele vermogen uitgegeven,
maar zonder er baat bij te vinden;
integendeel het was nog erger met haar geworden.
Omdat ze over Jezus gehoord had,
drong ze zich in de menigte naar voren
en raakte zijn mantel aan.
Want ze zei bij zichzelf:
Als ik slechts zijn kleren kan aanraken,
zal ik al genezen zijn.
Terstond hield de bloeding op
en werd ze aan haar lichaam gewaar,
dat ze van haar kwaal genezen was.
Op hetzelfde ogenblik was Jezus Zich bewust
dat er een kracht van Hem was uitgegaan;
Hij keerde Zich te midden van de menigte om en vroeg:
Wie heeft mijn kleren aangeraakt?
Zijn leerlingen zeiden tot Hem:
Gij ziet dat de menigte van alle kanten opdringt
en Gij vraagt:
Wie heeft Mij aangeraakt?
Maar Hij liet zijn blik rondgaan
om te zien wie dat gedaan had.
Wetend wat er met haar gebeurd was,
kwam de vrouw zich angstig en bevend voor Hem neerwerpen
en bekende Hem de hele waarheid.
Toen sprak Hij tot haar:
Dochter, uw geloof heeft u genezen.
Ga in vrede en wees van uw kwaal verlost.
Hij was nog niet uitgesproken, of men kwam uit het huis
van de overste van de synagoge met de boodschap:
Uw dochter is gestorven,
waartoe zoudt ge de Meester nog langer lastig vallen?
Jezus ving op wat er bericht werd
en zei tot de overste van de synagoge:
Wees niet bang, maar blijf geloven.
Hij liet niemand met Zich meegaan
behalve Petrus, Jakobus en Johannes, de broer van Jakobus.
Toen ze aan het huis van de overste kwamen,
zag Hij het rouwmisbaar van mensen
die luid weenden en weeklaagden.
Hij ging naar binnen en zei tot hen:
Waarom dit misbaar en geween?
Het kind is niet gestorven, maar slaapt.
Doch ze lachten Hem uit.
Maar Hij stuurde ze allemaal naar buiten
en ging met zijn metgezellen en de vader en moeder van het kind
het vertrek binnen waar het kind lag.
Hij pakte de hand van het kind en zei tot haar:
Talita koemi; wat vertaald betekent: Meisje, Ik zeg je, sta op.
Onmiddellijk stond het meisje op en liep rond;
want het was twaalf jaar.
En ze stonden stom van verbazing.
Hij legde hun nadrukkelijk op,
dat niemand het te weten mocht komen,
en voegde eraan toe, dat men haar te eten moest geven.
Homilie
Het evangelie van vandaag gaat over "een vrouw die al twaalf jaar aan bloedvloeiing leed" en over de opwekking van het dochtertje van Jaïrus, de overste van de synagoge. Beiden zijn smekelingen, de vrouw die onrein is door bloedverlies, en Jaïrus, iemand van het eigen volk. Zijn dochtertje is twaalf jaar. Twaalf is het getal van het twaalfstammen volk van Israël, vanaf de twaalf zonen van Jakob tot en met de twaalf apostelen. Het gaat dan ook over ons. Dat blijkt ook uit de aanspreking van Jezus tot die vrouw: "Dochter. Dochter is de term waarmee ook Israël wordt aangesproken: Dochter van Sion" (Mt 21,5 naar Zach 9,9).
Wij zijn het die hier worden aangesproken, wij zijn het nieuwe Israël, en niet alleen als gemeenschap, als volk, maar ook als enkeling, want het gaat steeds over enkelingen die Jezus ontmoeten, die over hun grenzen van de onreinheid heen, over de grenzen van de dood heen, geloven dat Jezus macht heeft hen te genezen. Hoever gaat je geloof? Staat het stil bij de grenzen van de reinheid, bij de wetten, bij wat onder de mensen geldt, bij fatsoen? Geloof je dat Hij het onverdraaglijke van je verdraagt?
Jezus is de Reine die zózeer met God verbonden is, dat Hij niet onrein kán worden. Een woord van een woestijnvader luidt: 'Voor de reine is niets onrein.' Hij kan door niets onrein worden gemaakt. Hij kan door niets en niemand verontreinigd worden. Hij is onbesmettelijk rein! Wie in contact komt met Hem wórdt rein, of waardig, zoals we straks bij de communie zullen zeggen: 'Heer, ik ben niet waardig dat Gij tot mij komt, maar spreek slechts één enkel woord en ik zal gezond, waardig, worden'.
Tot het dochtertje van Jaïrus zegt Jezus: "Meisje, Ik zeg je sta op. Onmiddellijk stond het meisje op, en daarop voegde Jezus eraan toe, dat men haar te eten moest geven." Zo was het ook bij ons, toen na de opstanding door het doopsel de eucharistische maaltijd volgde, en zo is het nog steeds. Nu wij opgewekt zijn door het Woord van God, ontvangen wij bij de eucharistische maaltijd nieuwe kracht, om het nieuwe, reine leven te leven, dat wij door het woord hebben gekregen.