Donderdag in de vierde week
    van het oneven jaar
               
Eerste lezing: Hebreeën 12,18-19.21-24
Evangelie: Marcus 6,7-13


Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus

In die tijd riep Jezus de twaalf bij Zich
en begon hen twee aan twee uit te zenden.
Hij gaf hun macht over de onreine geesten
en verbood hun iets anders mee te nemen voor onderweg
dan alleen een stok;
geen voedsel, geen reiszak, geen kopergeld in hun gordel.
“Wel moogt ge sandalen dragen,
maar trekt geen dubbele kleding aan.”
Hij zei verder:
“Als ge ergens een huis binnengaat,
blijft daar tot ge weer afreist.
En is er een plaats waar men u niet ontvangt
en niet naar u luistert, gaat daar dan weg
en schudt het stof van uw voeten als een getuigenis tegen hen.”
Zij vertrokken om te prediken dat men zich moest bekeren.
Zij dreven veel duivels uit,
zalfden veel zieken met olie en genazen hen.

Homilie  

“Jezus riep de twaalf bij Zich."
Roeping is roeping om uitgezonden te worden, maar aan die roeping om uitgezonden te worden gaat vooraf een roeping naar Jezus toe. Hij riep de twaalf. Hij riep hen weg uit henzelf, uit hun menselijke zekerheden, uit hun menselijke steun en toeverlaat naar Hem toe, die helemaal leefde van God alleen. Als Hij de eerste is tot wie je geroepen bent, Hij, de zorgeloze, dan zal Hij ook voor je zorgen, zodat je zelf ook zorgeloos mag zijn.

Het klinkt een beetje streng, zoals de andere geboden en verboden van God soms ook een beetje streng klinken. Je zult niet dit en je zult niet dat, maar altijd zijn die geboden en opdrachten een uitdrukking van zijn zorg voor ons. Hij stuurt ons niet alleen op pad; Hij zegt ook nog hoe wij ons moeten gedragen. Hij geeft ons wegwijzers op ons pad, op onze tocht door dit leven. "En Hij verbood hun” - wat klinkt dat weer streng - “Hij  verbood hun." Wat mogen ze allemaal niet: geen voedsel, geen reiszak, geen kopergeld, zelfs geen kleingeld betekent dat, geen cent, geen cent op zak. Dat is niet omdat Hij hen op een soort overlevingstocht stuurt, zoals tegenwoordig wel wordt gedaan voor de grap, een dropping, je wordt ergens gedropt, je moet maar zien hoe je thuis komt, hoe je je redt. Zoiets van: laat eens kijken hoever ze het schoppen.

Hij geeft die geboden omdat ze dan niet zelf hoeven te zorgen en niet verzorgd op reis hoeven te gaan. Hij stuurt hen niet alleen er op uit. Het is een teken van zijn zorg. Hij zal zorgen dat het je aan niets ontbreekt. Hij zal zorgen dat je zult merken dat Vader zorgt. En hoe kun je nu merken dat God voor je zorgt als je zelf al gezorgd hebt? Maar u allen, u hebt alles al. Er is helemaal niets waarin u niet verzorgd bent. Geen nood, geen onvoorziene omstandigheden. Het kan gewoon niet meer stuk. Natje en droogje, zelfvoorziening tot op de oude dag. Wie doet je wat? En dan nog de beveiligingen, de verzekeringen om eventueel onvoorziene klappen op te vangen. Wat moeten wij nu met zo'n evangelie?

En toch, als je het van heel dichtbij bekijkt, heeft iedere dag iets van een uittocht, van een er opuit gestuurd worden, ofwel innerlijk of uiterlijk, want bij alles wat je voorziet en kunt voorzien en waarvoor je gezorgd hebt, treden er altijd onvoorziene omstandigheden op. Het gaat altijd anders dan je hebt ingeschat. En wat doe je dan? Hou je dan vast aan dat wat je hebt en word je dus ontevreden als je planning, je zelfvoorziening in de war wordt gestuurd? Ga je de weg die jij hebt voorzien, of laat je je door Jezus voorzien, verzorgen, want Hij is degene bij wie je in die onvoorziene omstandigheden terecht kunt. Laat je door Jezus voorzien, verzorgen. In het materiële, maar ook in de medemenselijke verhoudingen.
"Als ge ergens een huis binnengaat, blijf daar tot ge weer afreist. En is er een plaats waar men u niet ontvangt en niet naar u luistert, ga daar dan weg." Dat is nog veel moeilijker. Dat je ook je eer, je goede naam los laat. Dat je je niet verdedigt wanneer je wordt aangevallen of een verwijt krijgt, een oordeel of een veroordeling, dat je je eer evengoed als je materiële zelfvoorziening, je tijd, afgeeft. "Wie zich vernedert zal verheven worden" (Mt 23,12). Laat de verheffing, laat de verdediging van je goede naam maar aan Hem over. Hij kan er beter voor zorgen dan de mensen, dan jijzelf.

Dat allemaal niet doen, dat allemaal laten. En dan heb je nog het allermoeilijkste: dan zijn er ook nog kwade geesten. "Hij gaf hun macht over de onreine geesten." De leerlingen vertrokken om te prediken dat men zich moest bekeren, en ze dreven veel duivels uit. Zijn die dan ook nog tegen ons? Dat is gemeen. Dat er tussen alle goede en kwade mensen, nare en tegenlopende, goede en gunstige omstandigheden, dan ook nog een macht is op de achtergrond die de zaak verziekt, die je onderuit haalt, die achter schijngoede bedoelingen, daden en woorden, zijn eigen gemene vernietigende plannen probeert door te drukken. Daar kun je je niet tegen indekken met verzekeringen, met zelfvoorziening. Daar kun je je alleen tegen indekken door Gods voorziening, door zijn heilige Geest. Die is opgewassen tegen de kwade geest. Die is nog slimmer, nog intelligenter en van nog meer goedheid bezield dan de kwade door zijn kwaadheid. Door die gunstige omstandigheden boven en buiten ons worden wij geleid. Door die gunstige omstandigheden van Godswege worden wij altijd omgeven.