Eerste lezing: Hebreeën 13,1-8
Evangelie: Marcus 6,14-29
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus
Toen koning Herodes over Jezus hoorde,
want zijn naam was bekend geworden, zei hij:
Johannes de Doper is verrezen uit de doden
en daarom werken die wonderkrachten in hem.
Maar anderen zeiden: Het is Elia, en weer anderen:
Hij is een profeet zoals de andere profeten.
Maar toen Herodes dit alles hoorde, zei hij:
Neen het is Johannes, die ik onthoofd heb, die verrezen is.
Herodes had namelijk zelf Johannes laten grijpen
en in de gevangenis in boeien geslagen omwille van Herodias,
de vrouw van zijn broer Filippus,
want hij had haar tot vrouw genomen.
Johannes had immers tot Herodes gezegd:
Het is u niet geoorloofd de vrouw van uw broer te hebben.
Herodias was daarom op hem gebeten en wilde hem doden,
maar zij kreeg geen kans,
want Herodes had ontzag voor Johannes.
Hij wist dat hij een rechtschapen en heilig man was
en nam hem in bescherming.
Telkens wanneer hij hem gehoord had
verkeerde hij in tweestrijd;
maar toch luisterde hij graag naar hem.
Er kwam echter een gunstige dag,
toen Herodes bij zijn verjaardag een maaltijd aanrichtte
voor zijn hoogwaardigheidsbekleders,
zijn hoofdofficieren en de vooraanstaanden van Galilea.
De dochter van Herodias trad op met een dans
en zij beviel aan Herodes en zijn tafelgenoten.
De koning zei tot het meisje:
Vraag me wat ge wilt en ik zal het u geven.
En hij bevestigde haar met een eed:
Wat ge me ook vraagt, ik zal het u geven,
al is het de helft van mijn koninkrijk.
Zij ging naar buiten en vroeg aan haar moeder:
Wat zou ik vragen?
Deze antwoordde: Het hoofd van Johannes de Doper.
Zij haastte zich naar binnen, naar de koning
en zei hem haar verlangen:
Ik wil dat u mij op staande voet op een schotel
het hoofd van Johannes de Doper geeft.
Dit deed de koning leed, maar om zijn eed gestand te doen
en ook wegens zijn tafelgenoten wilde hij haar niet afwijzen.
Terstond stuurde de koning dus een lijfwacht
en gelastte hem het hoofd van Johannes te brengen.
De man ging en onthoofde hem in de gevangenis.
Hij bracht het hoofd op een schotel en gaf het aan het meisje;
het meisje gaf het weer aan haar moeder.
Toen zijn leerlingen er van gehoord hadden
kwamen ze zijn lijk halen en legden het in een graf.
Homilie
Vandaag gaat het in het evangelie over Johannes de Doper, de Voorloper van Jezus; voorloper ook in het slachtoffer zijn zoals Jezus. Beiden zijn slachtoffers. Jezus was het slachtoffer, in wereldse termen gesproken, van een gerechtelijke moord en Johannes was het slachtoffer van de stemming van een uitzinnige koning en de dans van een lichtzinnig meisje. We kunnen Johannes de Doper beter begrijpen vanuit de parallel met Elia. "Het is Elia," zeiden ze. Waarom Elia? Die onderging eenzelfde lot als Johannes de Doper, na de triomf van de ware God, u weet wel dat vuur dat uit de hemel werd afgeroepen over de offerdieren, na die triomf wordt Elia door koningin Jezabel, de Herodias van het Oude Verbond, vervolgd, ten dode toe. Hij vlucht de woestijn in en hij wenst zich dood. Het is duister voor hem geworden. Hij is volkomen vertwijfeld. Zoals Johannes de Doper misschien, die in de gevangenis ogenblikken gekend heeft waarin de dood voor hem een bevrijding geweest zou zijn. Maar zijn taak is dezelfde als die van Elia. Evenals Elia moest ook hij ervaren dat God niet in het grote, in het geweldige en het gewelddadige is. Elia op de berg Karmel: en zie de Heer trok voorbij. "Een geweldige, heftige storm die bergen en rotsen doet splijten ging voor de Heer uit, maar de Heer was niet in de storm. Na de storm kwam een aardbeving, maar de Heer was niet in de aardbeving. Na de aardbeving kwam vuur, maar de Heer was niet in het vuur. Na het vuur kwam een zacht briesje. Toen bedekte Elia zijn gelaat met zijn mantel, hij ging naar buiten en trad voor de ingang van de grot" (1 Kon 19,11-13). Daar was de Heer.
Johannes verwachtte de Messias zo ongeveer als een storm, als een oordeel, als een vuur. "Reeds ligt de bijl aan de wortel van de boom
Hij zal u dopen met de heilige Geest en met vuur. De wan heeft Hij in zijn hand, en Hij zal de dorsvloer grondig zuiveren en het kaf zal Hij verbranden in onuitblusbaar vuur" (Mt 3,10-12). En toen de Messias dan kwam en Johannes in de gevangenis, in die kelder, onder de grond, hoorde over de werken van de Messias, liet hij zijn leerlingen Jezus de vraag stellen: "Zijt Gij de komende, of moeten wij een ander verwachten?" Jezus is niet als een storm, Jezus is niet als een aardbeving, Jezus is niet als een vuur. Hij is zacht en stil als die bries. Het stille suizelen van een bries. Zoals Hij hier onder ons tegenwoordig komt in de transsubstantiatie, in de zelfstandigheidverandering van brood en wijn. Onmerkbaar, om beter door te dringen, om Zich helemaal te kunnen verenigen tot in de diepste diepte van de materie en in ons hart. Hard stoot af, zacht dringt door. Zacht is de hand waarmee Jezus geneest, zacht is zijn stem. Hij verheft zijn stem niet om de walmende pit niet uit te doven en het geknakte riet niet te breken. Zacht is de stem van God. Zacht is de stem van God in ons geweten. Ook in het geweten van Herodes, een bruut, met een volkomen verhard geweten. In de evangelische traditie wordt hij voorgesteld als een zwakkeling, die heen en weer wordt geslingerd door goede en slechte neigingen. Hij heeft iets goeds, hij luistert naar de zachte stem van zijn geweten. Herodes had ontzag voor Johannes de Doper en elke keer als hij naar hem luisterde, werd hij geraakt tot in zijn geweten. Herodes wist dat zijn vrouw, Herodias, Johannes' dood zocht en hij nam hem in bescherming. Hij wil wel het goede, maar het komt er niet van. Hij is in tweestrijd, hij is verdeeld, hij is niet heilig, hij is niet heel. En bij al het goede dat hij heeft, heeft hij een paar ondeugden die hij niet bestrijdt en dat is genoeg, wanneer de omstandigheden ernaar zijn, om groot kwaad te doen: zijn ongeordende liefde, zijn grootspraak, door de drank nog meer vergroot: "Vraag maar wat je wilt en ik zal het je geven," en tenslotte zijn eerzucht. Vanwege zijn tafelgenoten laat hij het niet afweten. Hij wil zijn gezicht niet verliezen.
Je hoeft maar een paar ondeugden te hebben en je maakt het leven van een ander, zo niet tot een hel, maar dan toch tot een zware beproeving. Van het kleine kwaad dat je hebt laten zitten komt op een gegeven ogenblik het grote kwaad. Die gevoeligheid voor het kleine, voor de zachte stem van het geweten, moeten wij dus ontwikkelen. Niets laten zitten, ook niet het allerkleinste. Waarom? Uit liefde, uit liefde voor Jezus. Als de kleine Theresia van Lisieux speldenprikken verdragen uit liefde. Een kampioen willen zijn in de liefde, in de totale zelfovergave, in het gewone het buitengewone. Het gewone doen op een buitengewone wijze, uit liefde voor Jezus. Maar ook uit liefde voor de ander, want we weten wat er gebeurt als je het in het kleine maar laat zitten. Dat kan heel veel pijn doen, speldenprikken doen soms meer pijn dan de houw met een zwaard. Zo wil Jezus ook onder ons zijn, in het gewone, in brood en wijn, in de armen, en in de stem van ons geweten.