Dinsdag in de vierde week van Pasen
Eerste lezing: Handelingen 11,19-26 [I 200]
Evangelie: Johannes 10,22-30 [I 201]


Inleiding  

In het intredelied zongen we een gedeelte uit psalm 139, toegepast op Jezus, Hem in de mond gelegd: 'Heer, Gij doorgrondt Mij en Gij kent Mij. Gij weet van mijn zitten, van mijn opstaan'. Gij weet van mijn neerliggen in de dood, mijn opgesloten zijn in het graf en weer opstaan. De Vader legde zijn hand op Hem en toen Hij de dood inging, wist Hij dat dat zou komen. Hij staat daar op onze plaats, of wij staan daar op zijn plaats. Dat wij in alles, in alle omstandigheden, waarin wij niets meer zien, waarin wij het niet meer zien zitten, altijd de hand van de Vader bij ons mogen weten.
We beginnen daarom deze dag met een eucharistie om, samen met Jezus, door de dood heen tot het nieuwe leven te komen. De hand van de Vader bij Hem en bij ons te weten.
Belijden wij dan eerst onze schuld om deze heilige Geheimen goed te kunnen vieren.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes

In die tijd werd te Jeruzalem het feest van de tempelwijding gevierd.
Het was winter en Jezus hield Zich op in de tempel
in de Zuilengang van Salomo.
De Joden kwamen in een kring om Hem heen staan
en zeiden tot Hem:
“Hoelang houdt Gij ons nog in spanning?
Als Gij de Messias zijt
zeg het ons dan ronduit.”
Jezus gaf hun ten antwoord:
“Ik heb het u gezegd maar gij gelooft het niet.
De werken die Ik in naam van mijn Vader doe,
zij leggen getuigenis over Mij af.
Maar gij gelooft niet,
omdat gij niet tot mijn schapen behoort.
Mijn schapen luisteren naar mijn stem en Ik ken ze
en zij volgen Mij.
Ik geef hun eeuwig leven;
zij zullen in eeuwigheid niet verloren gaan
en niemand zal ze van Mij wegroven.
Mijn Vader immers die ze Mij gegeven heeft is groter dan allen;
en niemand kan iets uit de hand van mijn Vader roven.
Ik en de Vader, Wij zijn één.”

Homilie    

“Het was winter."
Het was koud. Jezus loopt heen en weer in de zuilengang van Salomo en door die beweging onttrekt Hij Zich aan pogingen tot insluiting. De Joden moeten wel met een grote massa zijn komen aanzetten en vooral met een grote aandrang, dat ze Jezus tot staan hebben kunnen brengen. "De Joden kwamen in een kring om Hem heen staan." Hij werd dus toch ingesloten en dat is nu juist wat Jezus altijd wil voorkomen, namelijk dat Hij in het middelpunt staat en ingesloten wordt, dat de mensen Hem insluiten in hun aardse belangen, in hun aardse gezichtspunten en op die manier de Vader uit het oog verliezen.
Zo kunnen we dat gesprek dan ook begrijpen: "Als Gij de Messias zijt zeg het ons dan ronduit." Als Gij de Christus zijt, de door Gods Geest gezalfde, want naar Jezus, de Christus, werden de leerlingen genoemd, zoals we in de eerste lezing van Handelingen der Apostelen hoorden. In Antiochië werden de christenen voor het eerst christenen - christianoi - genoemd, mensen die ten volle mens waren, zoals Jezus, maar door Gods Geest gezalfd, als instrument door Gods Geest in beweging gebracht. En dat is dan ook de bedoeling van hun vraag aan Jezus. Bent U nu de door God Gezalfde? Jezus antwoordt: "Ik heb het u gezegd, maar gij gelooft niet. De werken die Ik in naam van mijn Vader doe, zij leggen getuigenis over Mij af." Jezus wil daarmee zeggen: het gaat er eigenlijk niet om wie Ik ben op Mijzelf. Je moet Mij niet los zien van mijn Vader. Ik ben een afgevaardigde, een gevolmachtigde. Wat is een ambassadeur zonder het land dat hem accrediteert? Wat is een minister zonder volmacht? Uit Mijzelf ben Ik niets. Bovendien, dat vraagt u me nu, maar toen Ik de werken deed, die Ik in de naam van mijn Vader moest doen, de tekenen, de wonderen die boven zichzelf uitwezen, toen geloofde u al niet. Hoe wilt u dan geloven nu Ik alleen maar met woorden, zonder tekenen, iets zal zeggen? Als iemand al niet gelooft wanneer hij bijzondere vertroostingen krijgt, tekenen van Godswege, hoe zou die iemand dan kunnen geloven als deze tekenen er niet zijn?

De wil van God leren kennen, dat is willen weten wie Jezus nu, in deze situatie, voor je is. Dat Hij de deur is die voor je opengaat naar een ruimte, de ruimte van God zelf, de heilige Geest, de binnenkant van God. Dat kan natuurlijk alleen door je eerst te bekeren. Door je eerst af te wenden van je eigenzinnigheid op de momenten dat Hij Zich in tekenen openbaarde en je Hem hebt afgewezen. Eerst moet je je bekeren, dan pas kan de heilige Geest komen, en het licht van de heilige Geest. Dan pas kun je zien dat 'Ik en de Vader één zijn.'

We moeten niet blijven stilstaan bij Jezus. Niet blijven stilstaan bij het gewone aardse, bij het gewone menselijke, niet in de vreugde en niet in het verdriet. Maar proberen door de donkere buitenkant heen, door te dringen naar de lichtende binnenkant van de dingen en de mensen. Dat alleen maakt ons leven de moeite waard. Want wij zijn christenen, door Gods Geest gezalfden, we zijn meer dan alleen maar mensen met menselijke beweegredenen, gevoelens, gedachten. We zijn kind van God, door Gods Geest gezalfd, in staat om altijd in eenheid te leven met God de Vader en de Zoon door de heilige Geest. Mogen wij boven onszelf worden uitgeheven en mogen wij zo ín deze wereld niet ván deze wereld zijn.