Eerste lezing: Handelingen 13,13-25 [I 204]
Evangelie: Johannes 13,16-20 [I 205]
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes
Nadat Jezus de voeten van zijn leerlingen had gewassen,
zei Hij tot hen:
Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u:
een dienaar staat niet boven zijn heer
en een gezant niet boven degene die hem gezonden heeft.
Wanneer gij dit beseft:
zalig gij als gij er naar handelt.
Ik kan dit niet van u allen zeggen.
Ik weet wie Ik heb uitgekozen,
maar het Schriftwoord moet vervuld worden:
Die mijn brood eet, heft zijn hiel tegen Mij op.
Nu reeds zeg Ik het u, vóórdat het gebeurt,
opdat gij wanneer het gebeurt, zult geloven dat Ik ben.
Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u:
wie hem aanvaardt, die Ik zal zenden, aanvaardt Mij,
en wie Mij aanvaardt, aanvaardt Hem die Mij gezonden heeft.
Homilie
Wat een geloofsvisie! Zoals Paulus daar in de Handelingen der Apostelen in de synagoge in Pisidië in Antiochië ontvouwt voor zijn gehoor, de Joden daar. Die waren gewend om de geschiedenis van hun volk zo te zien als helemaal van het begin tot het einde gestuurd, geregisseerd door God. Dat er achter al die lotgevallen die alle volken meemaken, en die ook zij hebben meegemaakt, tijden van verdrukking, tijden van hongersnood, van welvaart, tijden van koningschap, dat daar iets persoonlijks achterzit, een voorzienigheid, voorzienige leiding, een voorzienige God.
Om die preek van Paulus naar waarde te kunnen schatten, zou je eigenlijk alles wat hij zegt over het volk van Israël en de rol die God daarin speelde, moeten betrekken op de Kerk, het nieuwe volk van God, of op je eigen levensgeschiedenis. Was Israël eigenlijk ook niet maar een individu, een enkeling onder de vele volkeren? En zou je dat dan ook niet zo op jezelf kunnen toepassen? Veertig jaar lang in de woestijn, met zorgen omringd door God. Een woestijnperiode in je eigen leven, waarin Hij er in je ervaring niet meer zo was als toen het je goed ging. Zeven volkeren in Kanaän vernietigd door God. Zoveel tegenstanders, zoveel bekoringen opzij geschoven. Je bent er niet aan ten onder gegaan, je hebt het overleefd. Denk maar eens aan je tijdgenoten, denk maar eens aan de mensen van je eigen leeftijd, je eigen familie, hoe het hun vergaan is en hoe het je zelf vergaan is. Een nieuw land in bezit gekregen door God. En zo gaat het maar door. Dat is niet aan jezelf te danken, dat ligt ook niet aan de omstandigheden, ja ook, maar daar doorheen is het Gods persoonlijke leiding.
"En uit zijn nakomelingschap heeft God volgens belofte voor Israël een Verlosser doen voortkomen: Jezus." Getraind als ze waren om door de buitenkant heen voeling te krijgen met de lichtende binnenkant van hun bestaan en hun geschiedenis, zijn de Joden tenslotte gestruikeld over hét grote struikelblok: Hij wast de voeten van zijn leerlingen. Want dat gedeelte uit het evangelie van Johannes dat u zo even hoorde voorlezen is uit de toelichting die Jezus gaf na de voetwassing.
Hij die door God erkend werd als "een Man naar mijn hart, die mijn wil in alles zal volbrengen," Hij wast de voeten van zijn leerlingen. Hij van wie Johannes de Doper gezegd had dat hij het niet waard was zijn schoeisel los te maken, Hij wast de voeten van zijn leerlingen. Hij buigt Zich dieper en staat zo lager dan zijn leerlingen. En wij, wij zitten op de plaats van de leerlingen. Ook tot ons is zijn woord gericht: "Als gij u niet door Mij uw voeten laat wassen, kunt gij mijn deelgenoot niet zijn" (Joh 13,8). Als gij niet deel wilt hebben aan mijn vernederingen
Want dat is eigenlijk wat wij hier doen: deel hebben aan zijn vernedering. Hij gaat nu ook langs ons, wast niet de voeten, maar buigt Zich in zijn zelfgave over ons, maakt Zich nog kleiner dan klein, nog kleiner dan wij zijn.
En Jezus wil doorgaan. Niet alleen in het sacrament, maar ook in ons, ook in ons dienen en in ons buigen in dienstbaarheid met handen en met harten, in de verborgenheid, in de zelfverloochening. In het ons bewust maken van het kwaad op de wereld en daar niets anders aan willen doen dan eraan lijden. En om daardoor genoegdoening te geven om de wereld tot verlossing te brengen, tot verzoening met zichzelf en met God.