Eerste lezing: Handelingen 13,44-52 [I 208]
Evangelie: Johannes 14,7-14 [I 209]
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen:
Als ge Mij zoudt kennen,
zoudt gij ook mijn Vader kennen.
Nu reeds kent gij Hem en ziet ge Hem.
Hierop zei Filippus:
Heer, toon ons de Vader; dat is ons genoeg.
En Jezus weer:
Ik ben al zo lang bij u
en gij kent Mij nog niet, Filippus?
Wie Mij ziet, ziet de Vader.
Hoe kunt ge dan zeggen:
Toon ons de Vader?
Gelooft ge niet dat Ik in de Vader ben
en de Vader in Mij?
De woorden die Ik u zeg, spreek Ik niet uit Mijzelf,
maar het is de Vader die, blijvend in Mij,
zijn werk verricht.
Gelooft Mij:
Ik ben in de Vader en de Vader is in Mij.
Of gelooft het anders omwille van de werken.
Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u:
wie in Mij gelooft, zal ook zelf de werken doen die Ik doe.
Ja, grotere dan die zal hij doen,
omdat Ik naar de Vader ga.
En wat gij ook zult vragen in mijn Naam, Ik zal het doen,
opdat de Vader moge verheerlijkt worden in de Zoon.
Als gij Mij iets zult vragen in mijn Naam zal Ik het doen.
Homilie
Als gij Mij zoudt kennen, zoudt gij ook mijn Vader kennen, zegt Jezus tot de leerlingen. Nu reeds kent gij Hem en ziet gij Hem. Hierop zei Filippus: Heer, toon ons de Vader; dat is ons genoeg."
Als Jezus zegt: je kunt de Vader alleen maar kennen via Mij, zegt Filippus daarop: "Heer, toon ons de Vader; dat is ons genoeg." Filippus wil een onmiddellijke aanschouwing van de Vader en niet via Jezus, niet via de weg die Jezus is, want die loopt uit op de dood. Hij vraagt om een grandioze Godsverschijning, om iets spectaculairs, iets goddelijks. Maar Jezus zegt: nee, het aanschouwen van God loopt via de Middelaar. Filippus ziet dat goddelijke niet in Jezus. Ja, soms wel, soms licht het goddelijke even op in Jezus' werken. Jezus verwijst daar dan ook naar: "Gelooft Mij, Ik ben in de Vader en de Vader is in Mij. Gelooft Mij om mijn woorden, want die woorden heb Ik weer van de Vader, of gelooft het anders omwille van de werken."
Maar als er iets oplicht van dat goddelijke in Jezus' werken, iets van de macht en de heerlijkheid van de Vader, dan wordt dat door Jezus onmiddellijk toegedekt met stilzwijgen, met Zich terugtrekken uit de openbaarheid in de verborgenheid. Daarmee suggereert Hij: het komt niet van Mij, het is niet door mijn toedoen, het is het werk van de Vader. Niet alleen de woorden die Jezus spreekt, maar ook de werken die Jezus doet, worden in de Vader gedaan.
Hoe moeten wij ons die band eigenlijk voorstellen tussen de Vader en de Zoon? Zijn die twee gelijk? "Ik ben in de Vader en de Vader is in Mij." Zijn de Vader en Jezus als twee druppels water? Zijn ze als een tweeling? Ik heb eens een afbeelding van een muurschildering van de allerheiligste Drie-eenheid gezien. Daarop werden de Vader en de Zoon voorgesteld als gelijk, als twee druppels water. Dat is om uit te drukken dat zij gelijk zijn in de goddelijke natuur, ze zijn allebei God. Is het daarmee dan uit, zijn ze dan ook in die zin gelijk, dat bijvoorbeeld de Vader evengoed mens had kunnen worden als de Zoon? Nee, daarin zijn ze anders. Ze zijn van dezelfde natuur, maar ze zijn anders van Persoon. En daarin zijn de Persoon van de Vader en de Persoon van de Zoon wel zó verschillend, dat er in de hele schepping geen groter verschil kan bestaan tussen wezens of personen dan tussen de Vader en de Zoon. Er wordt zelfs gezegd dat er tussen de Vader en de Zoon een verhouding is van volstrekte tegenstelling, dat de ene Persoon in niets te herleiden is tot de andere. De Vader blijft de Vader en de Zoon blijft de Zoon.
Eigenlijk is dat ook niet zo moeilijk te begrijpen, want waar is een groter verschil denkbaar dan tussen de Vader en de Zoon, tussen het leven geven en het leven ontvangen? Zo komt de Vader in zijn identiteit, in zijn zelfbewustzijn, nergens, maar dan ook echt nergens iets tegen van de identiteit van de Zoon. En toch zegt Jezus: "Wie Mij ziet, ziet de Vader, en: Ik ben in de Vader en de Vader is in Mij." Hoe moeten wij dat nu verstaan? Ze zijn een eenheid in de goddelijke natuur en ook een eenheid in Personen, zonder dat die Personen in elkaar versmelten. Dat is een eenheid in de liefde, een liefdeseenheid, een eenheid in de heilige Geest. De liefde kan een eenheid bewerken tussen twee personen die heel verschillend zijn, zo verschillend als bijvoorbeeld een man en een vrouw, zonder dat de eigenheid van die personen versmelt, wegvloeit. De een blijft de een en de ander blijft de ander. Zo'n eenheid is er tussen de Vader en de Zoon en tussen Christus en de Kerk, tussen de Bruidegom en de Bruid. En die eenheid is de heilige Geest. De heilige Geest is de Kus, de Liefdeskus, van de Vader en de Zoon, zeggen de kerkvaders.
De heilige Geest is de Persoon die verbindt, die één maakt, die de allergrootste verschillen bij elkaar kan brengen zonder dat er een versmelting optreedt, waardoor de ander niet meer zichzelf zou kunnen zijn. De heilige Geest speelt het klaar, om bijvoorbeeld Jezus heen te helpen over de afgrond die Hij ervoer tussen Zichzelf op de plaats van de zondaars en zijn Vader. "Vader, laat deze beker Mij voorbijgaan. Ik kan het niet. Maar toch: niet zoals Ik wil, maar zoals Gij wilt (Mt 26,39; vgl. Mc 14,36; Lc 22,42). Dat zegt Jezus in de heilige Geest. De heilige Geest speelt het klaar om de vraag te beantwoorden die Maria stelt: Hoe zal dit geschieden, daar ik geen man beken?
De heilige Geest zal over u komen en de kracht van de Allerhoogste zal u overschaduwen (Lc 1,34.35). De heilige Geest speelt het klaar om mensen te kunnen laten bidden. Wij weten niet eens hoe wij behoren te bidden, zegt sint Paulus. De heilige Geest zelf pleit voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen" (Rom 8,26). De heilige Geest doet het!
Zo is het met alles. Hoe kom ik ooit over dit gebrek heen? Niets heeft geholpen, wat ik ook gedaan heb, hoe ik ook gebeden heb, hoe ik ook voor me heb laten bidden. Het is me niet gelukt, maar toch geef ik de moed niet op. Wat je niet kunt, kun je ontvangen door de heilige Geest. De heilige Geest zal het je geven. Denk maar eens wat de leerlingen overkwam. "De Joden hitsten de godvrezende vrouwen op die uit de toonaangevende kringen kwamen en ook de voornaamste burgers uit de stad; zij veroorzaakten een vervolging tegen Paulus en Barnabas en verjoegen hen uit hun gebied." Het ging zo goed met ze, maar nu hadden ze helemaal niets meer om te steunen; niet gewenst door de mensen, niet aanvaard. U zult misschien denken: wat zullen die zich ongelukkig gevoeld hebben. Maar wat staat er over hen geschreven? "De leerlingen echter waren vervuld van vreugde en van de heilige Geest." Hieraan herken je de godsdienstige aard van het gevoel. Dat het niet zo maar een psychisch ik-betrokken menselijk gevoel is, maar troost in troosteloze omstandigheden, blijdschap in verdriet, vreugde in het lijden.
Wat toen was, geschiedt in iedere eucharistie opnieuw: brood en wijn worden onder aanroeping van de heilige Geest het Lichaam en het Bloed van Christus. Dat enorme verschil tussen de mens en zijn Schepper wordt overbrugd door de heilige Geest. En het enorme verschil tussen een zondig mensenhart en het goddelijk Hart van Jezus wordt overbrugd door de heilige Geest bij het aanroepen van de heilige Geest over onszelf. "Leert van Mij, Ik ben zachtmoedig en nederig van hart" (Mt 11,29).