Dinsdag in de vierde week van Pasen
         Heilige Petrus Canisius, priester en kerkleraar


Eerste lezing: Handelingen 11,19-26  
Evangelie: Johannes 10,22-30


Inleiding  

'Gij leert mij wat de weg is ten leven. De volheid der vreugde waar Gij zijt: heerlijkheid, in uw schutse, voor immer' (Ps 16,11). Het lijkt wel geheimtaal en dat is het ook, want het is de geheime taal van de liefde. Dat was de binnenkant van Petrus Canisius, de heilige wiens gedachtenis wij vandaag in de Nederlandse kerkprovincie vieren. Hij heeft ook een plaats op de kalender van de wereldkerk en wel op zijn sterfdag, 23 december 1597.
Hij beleefde tijden van verschrikking. Het christelijke Europa viel uiteen, dat is echt een verschrikking als mensen dat voor de eerste keer moeten meemaken. Er waren al wel ketterijen en er waren ook wel afscheidingen, maar die troffen niet geheel Europa. Het was de eerste keer dat dit gebeuren gepaard ging met allerlei culturele verwordingverschijnselen, politieke, sociale en economische onrust. Een tijd van verschrikking, waarvan wij dan nu het einde beleven, de laatste consequenties.
Uitdrukkingen uit brieven en geschriften van Petrus Canisius verwijzen naar de nood van de Kerk. Hij noemt de Kerk een zeer verwaarloosde akker. Hij zag het als zijn roeping om in deze troosteloze, geruïneerde akker, waarin, volgens eigen zeggen 'behalve ruïnes, zo weinig van de Kerk was overgebleven, waar geen hoop meer was', Gods redding te brengen. Hoe treurig, zelfs hoe wanhopig de dingen naar de mening van de wereld ook zijn, des te meer zal dat ook onze taak zijn.
Aan het eind van zijn leven zien we tenslotte, hoe na de tegenslagen van een lange vaart, met moeilijk te omzeilen klippen en woedende stormen, voor hem in de verte de haven oplicht. Toch was het eigenlijk al aan het begin dat hij die haven zag oplichten. Dat was op de dag dat hij, in de handen van de heilige Ignatius, zijn plechtige geloften aflegde. 's Ochtends ging hij de Kerk van Sint Pieter binnen, en overviel hem het volgende innerlijke gebeuren: 'Mijn ziel viel voor U ter aarde, mijn dorre, mismaakte ziel, onrein en besmet door vele ondeugden en hartstochten, maar Gij, mijn Verlosser, opende uw Hart voor mij op zulk een wijze dat het mij toescheen erin te kunnen zien. U nodigde mij uit en zei mij te drinken van het water van verlossing uit de fontein. Op dat ogenblik verlangde ik hevig dat daaruit stromen van geloof, hoop en liefde in mijn ziel mochten vloeien. Ik smeekte U mij van top tot teen schoon te wassen en mij te kleden en voor U te verfraaien. Nadat ik zo tot uw liefdevolle Hart had durven naderen om mijn dorst te lessen, beloofde U mij een mantel, geweven van vrede, liefde en volharding om mijn ziel te bedekken. En bekleed met dit gewaad van genade en vreugde verkreeg ik vertrouwen dat ik niets zou ontberen en dat alle dingen zouden uitlopen op uw glorie.'
Hij was toen een man van veertig jaar. Een heel leven moest er nog op volgen met vele tegenslagen, ruïnes, verwaarloosde akkers, wanhopige toestanden, maar hij heeft het kunnen doorstaan omdat hij van binnen gevoed werd vanuit die bron van goddelijke liefde.
Dat is dezelfde bron waaruit wij mogen drinken wanneer wij naar het woord van God gaan luisteren en het Lichaam en Bloed van Christus mogen nuttigen.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes

In die tijd
werd te Jeruzalem het feest van de tempelwijding gevierd.
Het was winter
en Jezus hield Zich op in de tempel in de Zuilengang van Salomo.
De Joden kwamen in een kring om Hem heen staan
en zeiden tot Hem:
“Hoelang houdt Gij ons nog in spanning?
Als Gij de Messias zijt
zeg het ons dan ronduit.”
Jezus gaf hun ten antwoord:
“Ik heb het u gezegd
maar gij gelooft het niet.
De werken die Ik in naam van mijn Vader doe,
zij leggen getuigenis over Mij af.
Maar gij gelooft niet,
omdat gij niet tot mijn schapen behoort.
Mijn schapen luisteren naar mijn stem
en Ik ken ze
en zij volgen Mij.
Ik geef hun eeuwig leven;
zij zullen in eeuwigheid niet verloren gaan
en niemand zal ze van Mij wegroven.
Mijn Vader immers die ze Mij gegeven heeft
is groter dan allen;
en niemand kan iets uit de hand van mijn Vader roven.
Ik en de Vader, Wij zijn één.”

Homilie    

Antiochië was de derde grote stad van het Romeinse Rijk. Er trokken christenmissionarissen naartoe, en zij verwierven daar veel aanhang, niet voor zichzelf maar voor Christus. Het was in Antiochië dat de eerste christengemeente ontstond die uit Joden en heidenen was samengesteld. De gemeente bestond uit christenen uit de Joden en uit christenen uit de heidenen, en vandaag vernemen we uit de Handelingen van de Apostelen hoe dat gebeurde. Zoals altijd richtte de prediking zich eerst tot de Joden, maar de Hellenisten, de Griekssprekende Joden, wendden zich dan tot de heidenen, tot de Grieken. "De hand des Heren was met hen, zodat een groot aantal het geloof aannam en zich tot de Heer bekeerde."

In Jeruzalem kreeg men lucht van deze ontwikkeling en men zag dat niet zonder zorg gebeuren. Petrus had er moeite mee om aan de Hebreeuwse Joden, de christenen uit de Joden, uit te leggen dat God ook aan de heidenen de bekering ten leven had geschonken. Daarom zonden ze iemand uit hun midden, uit het midden dus van de christenen uit de Joden, als een soort visitator naar Antiochië: Barnabas. Hij was de juiste man op de juiste plaats. Naderhand trekt deze zelfs Saulus nog aan als missionaris en van daaruit gaat het gebeuren in een stroomversnelling heel het Romeinse Rijk door. Dat was het begin van de Kerk uit de heidenen.

"Het was in Antiochië dat de leerlingen voor het eerst christenen werden genoemd": Christianoi, zij die erkennen dat Jezus de Christus is. Christus betekent Gezalfde, en wel de door Gods heilige Geest Gezalfde. In de woorden Christus, christen, christelijk, zit het woord 'geest', of eigenlijk niet het woord zelf, maar het gebeuren dat iemand tot christen maakt, hij wordt geraakt door de heilige Geest, gezalfd, en in beweging gehouden. Voor ons is die zalving niet meer zo herkenbaar in dat woord 'christen' aanwezig, en dat christen zijn alles met heilige Geest te maken heeft, met een gebeuren dat in het hart plaats vindt. Christen zijn is niet op de eerste plaats een gebeuren van een instituut, van de Kerk, van regels, wetten, structuren en verordeningen, dat is de buitenkant, maar het is in de eerste plaats een gebeuren van de heilige Geest in ons eigen hart.

Het is de heilige Geest die in Jezus de Christus (= de Gezalfde van God) laat zien, en die in Jezus de Vader laat zien. De heilige Geest is immers de Persoon die voortkomt uit de Vader en de Zoon, die de band is tussen de Zoon en de Vader. De heilige Geest is de band tussen de Zoon en de Vader. Hij is Degene die ons in beweging brengt en ons in staat stelt om in Jezus de Vader aan het werk te zien. Dat was nu juist wat de Joden niet konden: "Als Gij de Messias zijt, zeg het ons dan ronduit." Jezus zegt daarop: 'toen Ik aan het werk was, toen Ik de werken verrichtte die voortkomen uit de Vader, waarin je de Vader aan het werk ziet - tenminste als je door de heilige Geest wordt bezield - toen hebben jullie al niet geloofd.' Als iemand getroost wordt door de heilige Geest, als hij boven zichzelf wordt uitgetild, als hij innerlijk wordt verlicht, aangeraakt, en dan al niet gelooft dat hij dat niet uit zichzelf doet, dat dat licht niet uit zichzelf komt, maar van God komt, als hij dát al niet gelooft, hoe zal hij dan geloven als hij níet door de heilige Geest wordt aangeraakt!?

Daarmee eindigt dan ook deze zelfopenbaring van Jezus: "Ik en de Vader, wij zijn één." Dat betekent: niet blijven stilstaan bij het gewone aardse, niet in de vreugde en niet in het verdriet. Doordringen door de donkere, duistere, nietszeggende buitenkant heen naar de lichtende binnenkant. Dat alleen maakt ons leven de moeite waard.
Daarom moeten we terug naar die oorspronkelijke schepping, waarin alles bezield wordt door de heilige Geest, waarin we zien en merken hoe alles voortkomt uit God en hoe alles terugleidt naar God, en waarin we mogen ervaren hoe we in het hart van de goddelijke goedheid worden binnengevoerd.