Heilige Catharina van Siëna, maagd,
kerklerares en patrones van Europa
(eigen lezingen)
Eerste lezing: 1 Johannes 1,5-2,2
Evangelie: Matteüs 11, 25-30
Inleiding
'Die de gerechtigheid bemint, de boosheid haat.' Zo iemand was Catharina van Siena. 'Dat vrouwtje beschaamt ons allemaal,' zei paus Urbanus VI. 'Wij beven, en zie haar eens? Flink en rustig.' Paus Paulus VI noemde haar: de mystica van het mystieke Lichaam. In 1939 riep paus Pius XII haar uit tot patrones van Italië, samen met Franciscus, en in 1970 riep paus Paulus VI haar uit tot kerklerares. Zij bezocht Avignon, waar paus Gregorius XI verbleef, en haalde hem over naar Rome terug te keren. 'Mijn natuur is vuur. Laten we niet wachten op de tijd. De tijd, die niet op ons wacht.' Jezus verscheen haar, toen ze nog een kind was, als de bloedende Gekruisigde: 'Catharina, mijn dochter, zie hoezeer Ik voor je heb geleden. Verdraag ook graag iets om voor Mij te lijden.' Catharina vroeg: 'Heer, waar was U, toen mijn hart vol was van de gruwelen van de bekoringen?' Hij antwoordde: 'Ik was in uw hart.' Van toen af zocht Catharina Jezus niet meer alleen in de afzondering van haar kamer, maar ook in haar hart. Dat leerde zij ook anderen. 'Maak u een cel in uw binnenste en kom daar nooit meer uit.' Zij ontving de stigmata op 1 april 1375 na de communie. Bijna al haar genaden ontving Catharina tijdens of na de communie: visioenen, extases, wondertekenen.
De grootheid van de Kerk en van de priesters bracht zij altijd in samenhang met de eucharistie. 'O Christus bij mij. O dwaas van liefde. Het was U niet genoeg mens te worden, U wilde ook nog sterven. Het was U niet genoeg te sterven, U wilde de mens nog meer geven, Uzelf als voedsel.' Ze heeft eens vijfenvijftig dagen achtereen uitsluitend geleefd van het voedsel van de eucharistie.
Laten wij nu, voordat wij ons tegoed gaan doen aan het voedsel van het goddelijk Woord en aan zijn Zelfgave, eerst onze schuld belijden; proberen wij af te dalen in ons hart, waar wij nog niet helemaal naar Hem uitzien.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes
In die tijd sprak Jezus:
Ik prijs U, Vader, Heer van hemel en aarde,
omdat Gij deze dingen verborgen gehouden hebt
voor wijzen en verstandigen,
maar ze hebt geopenbaard aan kinderen.
Ja, Vader, zo heeft het U behaagd.
Alles is Mij door mijn Vader in handen gegeven.
Niemand kent de Zoon tenzij de Vader,
en niemand kent de Vader tenzij de Zoon
en hij aan wie de Zoon Hem wil openbaren.
Komt allen tot Mij die uitgeput zijt
en onder lasten gebukt,
en Ik zal u rust en verlichting schenken.
Neemt mijn juk op uw schouders
en leert van Mij:
Ik ben zachtmoedig en nederig van hart;
en gij zult rust vinden voor uw zielen,
want mijn juk is zacht
en mijn last is licht.
Homilie
Verborgen voor wijzen en verstandigen, geopenbaard aan kinderen." Dat heeft Catharina van Siena aan den lijve ondervonden. Ze wist zich als vrouw in die dagen, en als niet onderwezen volkskind, ongeschikt om het apostolisch werk te doen dat Jezus van haar vroeg. Ze leerde op haar negentiende jaar pas lezen en nog veel later schrijven. Maar het antwoord van Jezus aan haar was: 'Weet dat de hoogmoed van de zogenaamde geleerden en wijzen zo hoog gestegen is, dat Ik besloten heb hen te vernederen. Daarom wil Ik onwetende mannen en vrouwen uitzenden, vervuld van goddelijke wijsheid, die al die ingebeelde wijsheid zullen beschamen. Ik heb besloten ook u in de wereld te zenden en Ik zal u leiden bij alles wat u te doen staat.'
Zij dicteerde driehonderd éénentachtig brieven, deze brieven behoren tot de klassieke literatuur van Italië. De Kerk was in die dagen in diep moreel en geestelijk verval geraakt. De geestelijke ambten van bisschop en kardinaal werden toebedeeld aan onwaardigen. Men gebruikte geestelijke posities om er politieke invloed mee uit te oefenen, om er zich mee te verrijken. Vorsten en hele republieken waren in oorlog met de paus en de pausen zelf verbleven niet in Rome, maar in Avignon, zeventig jaar lang. Een soort Babylonische ballingschap. De profeten uit de tijd toen Israël in ballingschap was, baden als volgt tot God:
"Verstoot ons toch niet voor goed en verbreek uw verbond met ons niet. Trek uw barmhartigheid niet van ons terug, ter wille van Abraham, Isaäk en Jakob. Aan hen hebt Gij beloofd hun nakomelingen even talrijk te maken als de sterren aan de hemel en als de korrels zand aan de zee. Maar nu zijn wij het kleinste van alle volken ter wereld geworden en wij hebben helemaal niets meer te betekenen vanwege onze zonden. Wij hebben nu geen koning meer, geen profeet, geen leider, geen brand- en slachtoffers, geen heilige plaats" (Dan 1,14-18).
Maar de God van de bloei, de God van de koningen, de God van koning David, de God van de Hoge Middeleeuwen, van de tijd van Franciscus van Assisi, de God van ons rijke Roomse leven, is ook de God van de herfsttij, van het verval. Ook van het verval dat wij in onze dagen meemaken. Want juist in die dagen van verval openbaarde God Zich als de trouwe God: "Ik heb u geschreven in de palm van mijn hand. Kan een moeder haar kind vergeten? En ook al zou zij het vergeten, Ik vergeet u nooit" (Js 49,15 en 16). Het volk vergeet God, maar God vergeet het volk niet. De mensen laten God in de steek, maar God verlaat zijn volk niet. Hij blijft trouw ondanks onze trouweloosheid.
Het licht waarover sint Jan spreekt in zijn eerste brief, dat licht dat in de duisternis schijnt, dat is niet het licht van de veroordeling, het licht van het oordeel, van de kritiek, van de analyse, maar dat is het licht van Gods barmhartige liefde. Het is een mild licht. "Hoe zou Ik u echter kunnen vergeten, Efraïm. U kunnen overleveren, Israël. Mijn hart slaat om, heel mijn binnenste wordt week. Neen, Ik zal mijn vlammende toorn toch niet koelen. Efraïm niet opnieuw te gronde richten, want Ik ben God, Ik ben geen mens" (Hos 11,8 en 9). Kwaad met kwaad vergelden, dat is menselijk. Een God die kwaad met kwaad vergeldt, een straffende God, dat is een projectie van de mens. En heel de openbaring is niets anders dan het rechtbuigen en corrigeren van dat verkeerde beeld van God. "Ik ben geen mens, Ik ben de heilige in uw midden. Ik laat Mij niet gaan in mijn toorn" (Hos 11,9). Het kwaad straft zichzelf. Dat is genoeg. Daar hebben wij geen straffende God voor nodig. God komt met barmhartigheid. Is het onderpand van zijn barmhartige liefde dan niet genoeg om ons daarvan te overtuigen? Jezus, die wij hier horen in zijn Woord, en die wij straks gaan ontvangen in zijn zelfgave.