Eerste lezing: Handelingen 11,19-26
Evangelie: Johannes 10,22-30
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes
In die tijd
werd te Jeruzalem het feest van de tempelwijding gevierd.
Het was winter
en Jezus hield Zich op in de tempel in de Zuilengang van Salomo.
De Joden kwamen in een kring om Hem heen staan
en zeiden tot Hem:
Hoelang houdt Gij ons nog in spanning?
Als Gij de Messias zijt
zeg het ons dan ronduit.
Jezus gaf hun ten antwoord:
Ik heb het u gezegd
maar gij gelooft het niet.
De werken die Ik in naam van mijn Vader doe,
zij leggen getuigenis over Mij af.
Maar gij gelooft niet,
omdat gij niet tot mijn schapen behoort.
Mijn schapen luisteren naar mijn stem
en Ik ken ze
en zij volgen Mij.
Ik geef hun eeuwig leven;
zij zullen in eeuwigheid niet verloren gaan
en niemand zal ze van Mij wegroven.
Mijn Vader immers die ze Mij gegeven heeft
is groter dan allen;
en niemand kan iets uit de hand van mijn Vader roven.
Ik en de Vader, Wij zijn één.
Homilie
Antiochië was de derde grote stad van het Romeinse Rijk. Er trokken christenmissionarissen naartoe, en zij verwierven daar veel aanhang, niet voor zichzelf maar voor Christus. Het was in Antiochië dat de eerste christengemeente ontstond die uit Joden en heidenen was samengesteld. De gemeente bestond uit christenen uit de Joden en uit christenen uit de heidenen, en vandaag vernemen we uit de Handelingen van de Apostelen hoe dat gebeurde. Zoals altijd richtte de prediking zich eerst tot de Joden, maar de Hellenisten, de Griekssprekende Joden, wendden zich dan tot de heidenen, tot de Grieken. "De hand des Heren was met hen, zodat een groot aantal het geloof aannam en zich tot de Heer bekeerde."
In Jeruzalem kreeg men lucht van deze ontwikkeling en men zag dat niet zonder zorg gebeuren. Petrus had er moeite mee om aan de Hebreeuwse Joden, de christenen uit de Joden, uit te leggen dat God ook aan de heidenen de bekering ten leven had geschonken. Daarom zonden ze iemand uit hun midden, uit het midden dus van de christenen uit de Joden, als een soort visitator naar Antiochië: Barnabas. Hij was de juiste man op de juiste plaats. Naderhand trekt deze zelfs Saulus nog aan als missionaris en van daaruit gaat het gebeuren in een stroomversnelling heel het Romeinse Rijk door. Dat was het begin van de Kerk uit de heidenen.
"Het was in Antiochië dat de leerlingen voor het eerst christenen werden genoemd": Christianoi, zij die erkennen dat Jezus de Christus is. Christus betekent Gezalfde, en wel de door Gods heilige Geest Gezalfde. In de woorden Christus, christen, christelijk, zit het woord 'geest', of eigenlijk niet het woord zelf, maar het gebeuren dat iemand tot christen maakt, hij wordt geraakt door de heilige Geest, gezalfd, en in beweging gehouden. Voor ons is die zalving niet meer zo herkenbaar in dat woord 'christen' aanwezig, en dat christen zijn alles met heilige Geest te maken heeft, met een gebeuren dat in het hart plaats vindt. Christen zijn is niet op de eerste plaats een gebeuren van een instituut, van de Kerk, van regels, wetten, structuren en verordeningen, dat is de buitenkant, maar het is in de eerste plaats een gebeuren van de heilige Geest in ons eigen hart.
Het is de heilige Geest die in Jezus de Christus (= de Gezalfde van God) laat zien, en die in Jezus de Vader laat zien. De heilige Geest is immers de Persoon die voortkomt uit de Vader en de Zoon, die de band is tussen de Zoon en de Vader. De heilige Geest is de band tussen de Zoon en de Vader. Hij is Degene die ons in beweging brengt en ons in staat stelt om in Jezus de Vader aan het werk te zien. Dat was nu juist wat de Joden niet konden: "Als Gij de Messias zijt, zeg het ons dan ronduit." Jezus zegt daarop: 'toen Ik aan het werk was, toen Ik de werken verrichtte die voortkomen uit de Vader, waarin je de Vader aan het werk ziet - tenminste als je door de heilige Geest wordt bezield - toen hebben jullie al niet geloofd.' Als iemand getroost wordt door de heilige Geest, als hij boven zichzelf wordt uitgetild, als hij innerlijk wordt verlicht, aangeraakt, en dan al niet gelooft dat hij dat niet uit zichzelf doet, dat dat licht niet uit zichzelf komt, maar van God komt, als hij dát al niet gelooft, hoe zal hij dan geloven als hij níet door de heilige Geest wordt aangeraakt!?
Daarmee eindigt dan ook deze zelfopenbaring van Jezus: "Ik en de Vader, wij zijn één." Dat betekent: niet blijven stilstaan bij het gewone aardse, niet in de vreugde en niet in het verdriet. Doordringen door de donkere, duistere, nietszeggende buitenkant heen naar de lichtende binnenkant. Dat alleen maakt ons leven de moeite waard.
Daarom moeten we terug naar die oorspronkelijke schepping, waarin alles bezield wordt door de heilige Geest, waarin we zien en merken hoe alles voortkomt uit God en hoe alles terugleidt naar God, en waarin we mogen ervaren hoe we in het hart van de goddelijke goedheid worden binnengevoerd.