Vrijdag in de vierde week van Pasen
                             
Eerste lezing: Handelingen 13,26-33
Evangelie: Johannes 14,1-6


Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes

In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen:
“Laat uw hart niet verontrust worden.
Gij gelooft in God, gelooft ook in Mij.
In het huis van mijn Vader is ruimte voor velen.
Ware dit niet zo dan zou Ik het u hebben gezegd,
want Ik ga heen om een plaats voor u te bereiden.
En als Ik ben heengegaan en een plaats voor u heb bereid,
kom Ik terug om u op te nemen bij Mij,
opdat ook gij zult zijn waar Ik ben.
Gij weet waar Ik heenga en ook de weg daarheen is u bekend.”
Thomas zei tot Hem: “Heer, wij weten niet waar Gij heengaat:
hoe moeten wij dan de weg kennen?”
Jezus antwoordde hem:
“Ik ben de weg, de waarheid en het leven.
Niemand komt tot de Vader tenzij door Mij.”

Homilie  

De tekst van dit evangelie wordt nogal eens gebruikt in de uitvaartliturgie: “In het huis van mijn Vader is ruimte voor velen. Ware dit niet zo dan zou Ik het u hebben gezegd, want Ik ga heen om voor u een plaats te bereiden. En als Ik ben heengegaan en een plaats voor u heb bereid, kom Ik terug om u op te nemen bij Mij, opdat ook gij zult zijn waar Ik ben."
Het is een tekst die door de Kerk is voorgesteld als een van de mogelijkheden voor de evangelielezing bij een uitvaart. En wat ligt er meer voor de hand? Jezus is heengegaan, Hij is gestorven; Hij is ten hemel opgenomen en zit aan Gods rechterhand. Daar spreekt Hij voor ons ten beste, daar bereidt Hij een plaats voor ons. Bij het laatste oordeel komt Jezus terug, zo heet dat toch: wederkomst, en neemt Hij ons bij Zich op.
Wat voor heel de mensheid geldt bij het Laatste Oordeel, bij zijn terugkeer, zijn terugkomst, wordt in een uitvaartliturgie toegepast op één mens apart. Jezus zal terugkomen om hem te halen en bij Zich op te nemen.

Maar zo is het oorspronkelijk niet bedoeld, want dan zou dat gebeuren naar het einde der tijden worden verlegd, naar het bijzondere oordeel, naar het laatste oordeel buiten de geschiedenis, wat door Jezus wordt voorgesteld als de vervulling van Gods belofte in de geschiedenis. Het is zoals Paulus zegt: "Wij verkondigen u de blijde boodschap, dat God de belofte aan de vaderen gedaan voor ons, zijn kinderen, vervuld heeft door Jezus te doen verrijzen." God heeft zijn belofte dus nu al vervuld.

Paulus zegt dit tot de Joden in Pisidië, gelovigen uit de heidenen, 'Godvrezenden' zoals hij ze hier noemt. "God wekte Hem uit de doden op, Hij is teruggekomen uit de dood, en gedurende vele dagen verscheen Hij aan hen die Hem uit Galilea naar Jeruzalem hadden vergezeld.” Hij verscheen dus aan hen die bij Hem waren vóór zijn lijden en dood. “Dezen zijn nu getuigen van Hem voor het volk.” Waar waren zij dan getuigen van? Dat Jezus de vervuller is van de belofte. “Gij gelooft in God, gelooft ook in Mij", zegt Jezus, daarmee bedoelt Hij niet: later, of ooit eens een keer, nee, nu! Zoals wij hier bijeen zijn, hier is Jezus in ons midden. Doordat Hij verrezen is, is Hij als de Verrezene hier en nu, bestendig, altijd, in zijn Kerk aanwezig. Dat is wat wij in de eucharistie vieren. Maar zijn aanwezigheid is niet beperkt tot de viering, want Hij zegt zelf: "Waar twee of drie verenigd zijn in mijn Naam, daar ben Ik in hun midden" (Mt 18,20). Daarmee zijn alle beloften vervuld.

Onze vorstin laat zich op koninginnedag huldigen door het volk; op die manier laat zij zien dat zij bij haar volk is en dat het volk bij haar is, dat er een eenheid is, een band. Zij toont zich heel informeel dan in de ene plaats en dan in de andere. Hoewel dit tegenwoordig niet zoveel meer betekent - het is meer ceremonieel dan werkelijkheid - kan het ons toch een idee geven hoe God in ons midden is, hoe onze Heer Jezus persoonlijk in ons midden is.
De Kerk van God, dat is het Rijk van God, is het begin en het teken van Gods werkelijke aanwezigheid, is het sacrament van de Godsontmoeting. Daar hebben wij onze Koning altijd in ons midden. Het is het begin en het is tegelijkertijd een teken; een veelbetekenend nieuw begin van de nieuwe wereld die komen gaat, maar die nu al begonnen is. Dat maakt ons leven iedere dag tot een lentedag: de zon van Gods liefde schijnt altijd boven ons hoofd.