Dinsdag in de vierde week
van de Veertigdagentijd
                               Heilige Casimir


Eerste lezing: Ezechiël 47,1-9.12 [I 132]
evangelie: Johannes 5,1-3a.5-16 [I 133]


Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes

Omdat er een feest van de Joden was,
ging Jezus op naar Jeruzalem.
Nu is er in Jeruzalem bij de Schaapspoort een badinrichting,
in het Hebreeuws Bezeta geheten,
met vijf zuilengangen.
In die gangen lag altijd een groot aantal gebrekkigen.
Nu was daar een man,
die al achtendertig jaar lang gebrekkig was.
Jezus zag hem liggen
en omdat Hij wist dat hij reeds lang zo lag zei Hij tot hem:
“Wilt ge gezond worden?”
De zieke gaf Hem ten antwoord:
“Heer, ik heb niemand om mij in het bad te brengen
wanneer het water bewogen wordt,
en terwijl ik ga, daalt een ander vóór mij er in af.”
Daarop zei Jezus hem:
“Sta op, neem uw bed op en loop.”
Op slag werd de man gezond.
Hij nam zijn bed op en liep.
Die dag was het echter sabbat
en daarom zeiden de Joden tot de genezene:
“Het is sabbat, ge moogt uw bed niet dragen.”
Hierop antwoordde hij hun:
“Die mij gezond heeft gemaakt Die heeft mij gezegd:
Neem uw bed op en loop.”
Daarom vroegen zij hem:
“Wie is die man die u zei: Neem uw bed op en loop?”
De genezene wist niet wie het was,
want Jezus had Zich ongemerkt teruggetrokken
omdat er veel volk ter plaatse was.
Later trof Jezus hem in de tempel en sprak tot hem:
“Zie, ge zijt nu genezen.
Zondig niet meer opdat u niets ergers overkomt.”
De man ging heen en vertelde aan de Joden
dat het Jezus was die hem genezen had.
Omdat Jezus dergelijke dingen op sabbat deed
begonnen de Joden Hem te vervolgen.

Homilie  

“Omdat er een feest van de Joden was, ging Jezus op naar Jeruzalem."
Dat is het zelfverstaan van het volk van Israël. Het volk van God dat op weg is naar Jeruzalem. Dat is ook óns zelfverstaan,  wij, het volk van God, zijn op weg naar het hemels Jeruzalem. Binnen de liturgie vieren wij ons eigen bestaan als het volk van God. Wij zijn in deze veertigdagentijd op weg naar Jeruzalem, de stad van lijden, dood én verrijzenis. Ook Jezus is op die weg, op weg naar Jeruzalem.

"Nu is er in Jeruzalem bij de Schaapspoort een badinrichting, in het Hebreeuws Bezeta geheten, met vijf zuilengangen." Bij de Schaapspoort! Dat roept voor het volk van God direct een beeld op, een concrete vorm van zelfverstaan: wij zijn de kudde van de ene Herder. 'Wij zijn Gods kudde', zongen wij zo-even in het openingslied. Dat is echt een oudtestamentische en nieuwtestamentische vorm van zelfverstaan. De Schaapspoort suggereert dus de poort, waardoor de kudde van de Heer het eindtijdelijke, het hemelse Jeruzalem binnentreedt.

Maar om het heiligdom te kunnen binnengaan, moet je eerst gereinigd worden, moet er eerst een cultische reiniging plaatsvinden. Iemand die cultisch onrein is, mag het heiligdom niet binnengaan. Vandaar die badinrichting. Die badinrichting heeft vijf zuilengangen. Dat is een verwijzing naar de vijf boeken van Mozes, de Pentateuch. Wie de Wet niet onderhoudt, mag het heiligdom niet binnentreden. Wie niet volmaakt is, wie niet een volmaakte volgeling van de Wet is, mag er niet binnen.

Bij die badinrichting treffen we de grootst mogelijke ellende aan. Het werd zo-even niet voorgelezen, maar na de beschrijving: "een groot aantal gebrekkigen”, staat er ook nog: “blinden, lammen en mensen met verschrompelde ledematen." En dat nota bene bij een badinrichting die in staat is mensen te reinigen! Het is als mensen die een bakkerij drijven en  zelf hongerig rondlopen. Of als wie in het veen zit en verlegen is om een turfje. Of als mensen die in de volle zon zitten en het koud hebben. Zo zijn er dus bij deze badinrichting mensen met allerlei kwalen, allemaal onrein. Hieruit blijkt dat de Wet van Mozes helemaal niet reinigt, en dat je door onderhouding van de Wet niet gereinigd kunt worden. Wij kunnen onszelf niet rechtvaardigen. Dat wordt nu aan een concreet geval duidelijk gemaakt.

"Nu was daar een man die al achtendertig jaar gebrekkig was." Van een situatieschets gaan we over naar een persoon, iemand die al achtendertig jaar bij die badinrichting, bij die reinigingsplaats van de Wet van Mozes, lag te wachten op de reiniging door de Wet. 'Er zijn wel gebrekkigen die, wanneer het water in beweging komt, in staat zijn zich naar dat water te begeven en zich te laten reinigen', zegt die lamme, mensen die zelf nog wat kunnen, die eigenlijk al volmaakt zijn, die kunnen door de Wet gereinigd worden. Maar als je zelf niets meer kunt, als je niet uit eigen kracht kunt naderen, dan vindt er geen reiniging plaats, dan ben je opgegeven.

Ook deze man heeft niemand meer. "Ik heb niemand." Dat wil zeggen dat degenen die de reiniging het hardste nodig hebben, deze niet krijgen. De Wet is er alleen voor de rechtvaardigen, voor de volmaakten. Voor de zwakke mensen geeft de Wet alleen maar ergernis, ontmoediging. Daarom zijn er bij u (zusters van priorij Nazaret) zoveel regels, wetten en voorschriften om ieder tot het besef te laten komen: 'dat kan ik niet, dat is teveel, dat gaat mijn krachten verre te boven.' Door het gevoel van ontmoediging dat je dan krijgt, kun je het bij niemand anders vinden dan bij Jezus, móet je het wel vinden bij Jezus. Hij is degene die je rechtvaardigt, en dat niet op grond van je goede werken, door de onderhouding van de Wet, maar wegens zijn barmhartigheid. Je wordt gerechtvaardigd om niet, uit genade.

Is er dan helemaal niets nodig? Ja, vertrouwen en geloof! Dat is het wat er gebeuren moet tussen Jezus en jou persoonlijk. "Wil je gereinigd worden?" Je moet het wel willen, je moet je bekering willen en je er ook helemaal voor openstellen. Je helemaal openstellen voor wat Hij je geeft: gerechtvaardigd te worden door Hem, niet op grond van je goede werken, of door naleving van de Wet, van de regels, maar op grond van zijn barmhartige liefde, om zo ook barmhartig te kunnen zijn voor anderen.