Eerste lezing: Exodus 32,7-14 [I 136];
evangelie: Johannes 5,31-47 [I 137]
Inleiding
In het intredelied komt drie keer het woord 'zoeken' voor. 'Het hart van hen die de Heer zoeken
Zoekt de Heer
Zoekt zijn aanschijn, altijd.' Waarom die nadruk? Omdat er een tegengestelde beweging is van de mens. Hij is op zichzelf teruggevallen, hij zoekt zichzelf en daarom moet er een soort druk worden uitgeoefend om tegen die 'ik' beweging van het menselijk hart in God te zoeken. Zo kun je pas helemaal mens worden, want de mens is geschapen naar God toe. Zoals u hier staat, gericht op het oosten. De zon schijnt hier door de ramen vanuit het oosten. Zo gaat het licht op over onze wereld en mogen wij, Godzoekers als we zijn, op Hem gericht, op Hem georiënteerd, onze dag beginnen, want als wij Hem zoeken, merken we dat Hij óns zoekt. Dan merken we dat zelfs het zoeken van Hem naar ons al begonnen is in ons zoeken naar Hem. Hij maakt dat verlangen in ons wakker; Hij heeft het ons ingeschapen en Hij houdt het in ons gaande.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes
In die tijd sprak Jezus tot de Joden:
Als Ik over mijzelf getuig, dan heeft mijn getuigenis geen waarde.
Er is een ander die over Mij getuigt,
en Ik weet dat de getuigenis die Hij over Mij aflegt geloofwaardig is.
Gij hebt een gezantschap naar Johannes gestuurd
en deze heeft getuigd voor de waarheid.
Weliswaar behoef Ik de getuigenis van een mens niet,
maar Ik zeg dit opdat gij gered zult worden.
Hij was de lamp, ontstoken om te verlichten,
en een korte tijd hebt gij u in zijn licht willen verheugen.
De getuigenis echter die Ik bezit
is waardevoller dan die van Johannes:
want het zijn juist de werken
die de Vader Mij gegeven heeft om te volbrengen
en die Ik ook volbreng, die van Mij getuigen,
dat Ik door de Vader gezonden ben.
Ook de Vader zelf die Mij zond
heeft getuigenis over Mij afgelegd.
Zijn stem hebt gij nimmer gehoord noch zijn gestalte gezien,
en zijn woord hebt gij niet vrijblijvend in u
omdat gij Degene die Hij zond niet gelooft.
Gij onderzoekt de Schriften in de mening
daarin eeuwig leven te vinden,
maar juist deze getuigen over Mij.
En toch wilt gij niet tot Mij komen om het leven te vinden.
Ik zoek niet door de mensen geëerd te worden,
maar Ik weet dat gij in uw hart geen liefde tot God hebt.
Ik ben gekomen in de naam van mijn Vader
en toch aanvaardt gij Mij niet.
Komt een ander in zijn eigen naam
dan zult gij hem wel aanvaarden.
Maar hoe zoudt gij ook kunnen geloven
als gij van elkaar eer tracht te verwerven,
terwijl gij de eer die van de enige God komt niet zoekt?
Meent niet, dat Ik u bij de Vader zal aanklagen.
Er is al iemand die u aanklaagt:
Mozes, op wie gij uw hoop hebt gesteld.
Want als ge Mozes zoudt geloven
zoudt ge ook Mij geloven,
want juist over Mij heeft hij geschreven.
Als ge niet gelooft wat hij schreef
hoe zoudt ge dan geloven wat Ik spreek?
Homilie
Als Ik over Mijzelf getuig, heeft mijn getuigenis geen waarde." Jezus heeft op sabbat een lamme genezen en daarmee maakt Hij er aanspraak op boven de sabbat te staan, dat wil zeggen: Hij pretendeert een goddelijke aanspraak te hebben. Hij had God zijn eigen Vader genoemd. "Tot op de dag van vandaag is mijn Vader voortdurend aan het werk en houd ook Ik niet op met werken (Joh 5,17). Om die reden waren de Joden er nog meer op uit Hem te doden. Hij tastte immers niet slechts de sabbat aan, maar noemde zelfs God zijn eigen Vader." Daardoor maakte Hij zichzelf aan God gelijk. Kan Hij dat bewijzen?
Hoe kon je in Israël bewijzen dat iets waar was, dat een uitspraak geloofwaardig was? We lezen dat in de heilige Schrift: als je twee of drie getuigen hebt, twee of drie mensen die getuigen dat wat je zegt geloofwaardig is, dan werd je geloofd, verdere bewijzen waren niet nodig.
Jezus zegt: mijn getuigenis aanvaardt gij niet en als Ik over mijzelf getuig, is dat niet geloofwaardig, maar Ik heb andere getuigen die getuigen over de geloofwaardigheid van mijn woorden. Op de eerste plaats is dat Johannes de Doper. "Ge hebt een gezantschap naar Johannes gestuurd en deze heeft getuigd voor de waarheid. Maar gij hebt hem niet geloofd. Vervolgens zijn er de Schriften. Gij onderzoekt de Schriften in de mening daarin eeuwig leven te vinden, maar juist deze getuigen over Mij. En toch wilt gij niet tot Mij komen - in Mij geloven en mijn leerling worden, wil dat zeggen - om het leven te vinden. En, toespitsend op een bijzonder getuigenis van de heilige Schrift, het getuigenis van Mozes: Er is al iemand die u aanklaagt: Mozes, op wie gij uw hoop hebt gesteld. Want als ge Mozes zoudt geloven, zoudt ge ook Mij geloven. Juist over Mij heeft hij geschreven. Als ge niet gelooft wat hij schreef, hoe zoudt ge dan geloven in wat Ik spreek?"
Twee getuigenissen dus: het getuigenis van Johannes de Doper, een tijdgenoot en het getuigenis van de Schrift, van de traditie zouden wij kunnen zeggen, van de geschiedenis. Maar Jezus voegt bij die twee getuigen nog een derde getuige en dat is het getuigenis van de Vader. Al die menselijke getuigenissen krijgen slechts kredietwaardigheid als iemand luistert naar het getuigenis van de Vader, dat wil zeggen: naar het inwendige getuigenis. "Er is een Ander die over Mij getuigt en Ik weet dat de getuigenis die Hij over Mij aflegt geloofwaardig is."
Hoe getuigt de Vader dan van Jezus? Dat doet Hij door de woorden. Jezus spreekt niet zijn eigen woorden, maar de woorden die de Vader Hem voorspreekt. De Vader getuigt door de werken die Jezus doet, want de werken die Jezus doet, doet Hij niet uit Zichzelf, maar Hij doet de werken die de Vader Hem heeft opgedragen. "De getuigenis echter die Ik bezit is waardevoller dan die van Johannes; want het zijn juist de werken die de Vader Mij gegeven heeft om te volbrengen en die Ik ook volbreng, die van Mij getuigen dat Ik door de Vader gezonden ben, dat Ik van goddelijke afkomst ben. Ook de Vader zelf, die Mij zond, heeft getuigenis over Mij afgelegd."
Jezus heeft met zijn getuigenis geen resultaat. Ze zullen Hem niet geloven, niet op getuigenis van de traditie, de Schriften, Mozes, niet op het getuigenis van tijdgenoten, van Johannes de Doper, niet op het getuigenis van het volk, niet op het getuigenis van zijn woorden, niet op de getuigenis van zijn werken. Ze zullen Hem niet geloven. Hoe komt dat? Dat komt omdat Jezus nog niet bewezen heeft dat de woorden die Hij spreekt en de werken Hij doet, helemaal van de Vader zijn. Hij kan nog niet bewijzen, Hij kan nog niet hard maken, dat alles wat Hij doet niet uit Zichzelf voortkomt, uit zelfzucht om eer van de mensen te verwerven, maar dat het helemaal van God komt. Hoe bewijs je nu dat er niets van jezelf is in wat je zegt en wat je doet? Dat kun je bijvoorbeeld doen door te laten blijken dat je er niet beter van wilt worden, dat je geen succes nastreeft, dat je geen bevestiging nodig hebt van de kant van de mensen, dat je het goedvindt dat je getuigenis niet wordt aangenomen.
Hoe kan Jezus nu laten blijken dat Hij helemaal zelveloos is in zijn woorden en in zijn werken? Dat kan Hij eigenlijk alleen maar laten merken wanneer Hij zijn leven geeft. Dat is het getuigenis dat het niet Jezus zelf is, dat wat Hij doet helemaal het werk van God is; als Hij Zich zijn leven laat afnemen, is dat niet in strijd met zijn hart, niet tegen zijn wil, verzet Hij Zich niet, maar geeft Hij Zich in overgave aan de Vader. Vrijwillig geeft Jezus Zich over aan een gewelddadige dood, Hij laat Zich het leven afnemen, Hij laat Zich uit hun midden wegrukken, zoals Hij Zichzelf al geeft bij het Laatste Avondmaal: "Mijn lichaam voor u." Dan wordt duidelijk dat alles wat Jezus doet en zegt niet van Hem is, maar dat het van de Vader is, dat het van de heilige Geest is, een zelveloze Geest. Dat inwendige getuigenis valt helemaal samen met het uitwendige getuigenis. Dat zullen de mensen dan ook merken: Jezus gaf de geest, "Hij boog het hoofd en gaf de geest" (Joh 19,30). De laatste adem van Jezus is de eerste adem van de Kerk. Jezus stond temidden van zijn leerlingen, Hij toonde hun zijn handen en zijn zijde, de kruiswonden, en Hij blies over hen als de Verrezene. De adem van de Verrezene is de adem van de Kerk, zodat die adem, hét getuigenis van de heilige Geest, dat inwendige getuigenis, de ziel is van de Kerk, alles wat de Kerk doet en zegt wordt door die Geest bezield en krijgt door die Geest kracht.
Daar moet je naar luisteren. Niet alleen luisteren naar de woorden, maar ook naar het inwendige getuigenis van de heilige Geest. Hoe de heilige Geest je beweegt in liefde voor God, in zelveloze liefde. Daar hoort natuurlijk ook een wijze van leven bij, een levenswijze die geen eer tracht te krijgen van de mensen. Dat je zelveloos bent in bidden en in leven.