Eerste lezing: Jozua 5,9a.10-12
Tweede lezing: 2 Korintiërs 5,17-21
Evangelie: Lucas 15,1-3.11-32
Inleiding
Veertig dagen, veertig nachten! Dat is te lang om het zonder blik op het einde te kunnen volhouden. Je moet niet kijken waar je middenin zit, maar waar het op uitloopt. Maak je bijvoorbeeld een reis naar een vakantieoord, dan blijf je je ook niet blind staren op het landschap van troosteloze dorheid waar je doorheen rijdt. Je gaat er doorheen, er komt een einde aan. Die veertig dagen is niet het doel, het is niet het einde. Het einde is: 'Verheug u, Jeruzalem', op de vreugde en vrede van Pasen.
Daarom is het geboortefeest voor de hemel dan ook een feest, een doopfeest. Het is eigenlijk ook een veertigdagentijd, die je heel snel doormaakt. Je wordt ondergedompeld in het water, in het water van het lijden en de dood van Jezus, waaraan wij deelnemen in óns lijden en sterven. Maar we staan er ook weer uit op. Dat doopfeest mogen we nu vieren en opnieuw aan ons laten gebeuren, als was het voor de eerste maal, als was het voor de laatste maal.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas
In die tijd kwamen tollenaars en zondaars van allerlei slag
bij Jezus om naar Hem te luisteren.
De Farizeeën en de schriftgeleerden morden daarover en zeiden:
Die man ontvangt zondaars en eet met hen.
Hij hield hun deze gelijkenis voor:
Een man had twee zonen.
Nu zei de jongste van hen tot zijn vader:
Vader, geef mij het deel van het bezit waarop ik recht heb.
En de vader verdeelde zijn vermogen onder hen.
Niet lang daarna pakte de jongste zoon alles bij elkaar
en vertrok naar een ver land.
Daar verkwistte hij zijn bezit in een losbandig leven.
Toen hij alles opgemaakt had,
kwam er een verschrikkelijke hongersnood over dat land
en hij begon gebrek te lijden.
Nu ging hij in dienst bij een der inwoners van dat land
die hem het veld instuurde om varkens te hoeden.
En al had hij graag zijn buik willen vullen
met de schillen die de varkens aten,
niemand gaf ze hem.
Toen kwam hij tot nadenken en zei:
Hoeveel dagloners van mijn vader hebben eten in overvloed
en ik verga hier van de honger.
Ik ga weer naar mijn vader en ik zal hem zeggen:
Vader, ik heb misdaan tegen de hemel en tegen u;
ik ben niet meer waard uw zoon te heten,
maar neem mij aan als een van uw dagloners.
Hij ging dus op weg naar zijn vader.
Zijn vader zag hem al in de verte aankomen,
en hij werd door medelijden bewogen;
hij snelde op hem toe, viel hem om de hals en kuste hem hartelijk.
Maar de zoon zei tot hem:
Vader, ik heb misdaan tegen de hemel en tegen u;
ik ben niet meer waard uw zoon te heten.
Doch de vader gelastte zijn knechts:
Haalt vlug het mooiste kleed en trekt het hem aan,
steekt hem een ring aan de vinger en trekt hem sandalen aan.
Haal het gemeste kalf en slacht het;
laten we eten en feestvieren,
want deze zoon van mij was dood en is weer levend geworden;
hij was verloren en is teruggevonden.
Ze begonnen dus feest te vieren.
Intussen was zijn oudste zoon op het land.
Toen hij echter terugkeerde en het huis naderde,
hoorde hij muziek en dans.
Hij riep een van de knechts en vroeg wat dat te betekenen had.
Deze antwoordde: Uw broer is thuisgekomen
en uw vader heeft het gemeste kalf laten slachten,
omdat hij hem gezond en wel heeft teruggekregen.
Maar hij werd kwaad en wilde niet naar binnen.
Toen zijn vader naar buiten kwam en bij hem aandrong,
gaf hij zijn vader ten antwoord:
Al zoveel jaren dien ik u en nooit heb ik uw geboden overtreden,
toch hebt gij mij nooit een bokje gegeven
om eens met mijn vrienden feest te vieren.
En nu die zoon van u is thuisgekomen,
die uw vermogen heeft verbrast met slechte vrouwen,
hebt ge voor hem het gemeste kalf laten slachten.
Toen antwoordde de vader:
Jongen, jij bent altijd bij mij
en alles wat van mij is, is ook van jou.
Maar er moet feest en vrolijkheid zijn
omdat die broer van je dood was en levend is geworden,
verloren was en is teruggevonden.
Homilie
Wie in Christus is, is een nieuwe schepping. Het oude is voorbij, het nieuwe is al gekomen." Wat is dat voor een soort nieuwheid, die nieuwe schepping? Is dat de nieuwheid van onze maatschappij, die bezeten is van nieuw, het nieuwe zo gulzig heeft ingedronken, dat zij zich erop tegengegeten heeft? Van de weeromstuit wordt het oude weer nieuw. Meisjes rijden rond op 'omafietsen', jongens sleutelen aan oude auto's. Dat noemen we nostalgie, heimwee naar vroeger, naar wat oud is en antiek. Het nieuwe van onze dagen is: vandaag is iets 'hot news' en morgen is het 'oud nieuws'. De vandaag gelezen krant, ligt morgen in de prullenbak. En zo gaat het ook met kleding: vandaag is het in de mode, volgend jaar kun je je er niet meer in vertonen.
De nieuwheid van de nieuwe schepping die Paulus bedoelt is van een heel andere aard. Dat is een echte schepping die regelrecht komt uit de hand van God. Ja maar, zult u misschien denken, alles komt toch uit de hand van God, ook de oude schepping? Inderdaad, maar in de oude schepping heeft de mens zich deze toegeëigend. Het is meer een kwaliteit in het hart van de mensen, dan in de schepping die ze verlieten. Niet de schepping wordt nieuw, maar de mens, zijn beleving van de schepping. Dat is wat u hebt gehoord: "Wie in Christus is, is een nieuwe schepping."
De oudste zoon in de parabel van vandaag is er echt nog een van de oude schepping. Hij is een exemplaar van de oude mens. De vader vindt het nodig om tot hem te zeggen: "Jongen, jij bent altijd bij mij en alles wat van mij is, is ook van jou. Blijkbaar zag die jongen dat helemaal niet zo, de vader moest hem daar aan herinneren. Hoe zag hij het dan wel? Hij was zó gefixeerd op wat hij voor zichzelf alleen had en wat hij daarin voor zijn gevoel te kort kwam. Al zoveel jaren dien ik u en nog nooit heb ik uw geboden overtreden, toch hebt gij mij nooit een bokje gegeven om eens met mijn vrienden feest te vieren." Dat is nu precies wat mensen, en ook kloosterlingen, kunnen zeggen: ik krijg nooit eens aandacht voor mij als persoon. Liever vertellen ze: 'Het ontbreekt mij wel aan niets, maar waar mijn hart naar hunkert, en wat elke mens van tijd tot tijd nodig heeft, een aai over de bol, een waarderend woord, een bemoedigende blik, een blik van verstandhouding, een dank-je-wel voor je werk, voor je inzet, dat krijg ik niet.' Ja, als je zoveel jaren in het klooster bent, of als je zoveel jaren vrijwilliger bent geweest, dan wil je nog wel eens in het zonnetje gezet worden of een woordje van waardering krijgen. Op je bidprentje staan heel veel lovende woorden, maar die had je eens graag bij je leven gehoord, zo maar, in het voorbijgaan.
Het is daarom goed dat de Kerk in dit evangelie ook het woord van de vader laat horen: "Jongen, jij bent altijd bij mij en alles wat van mij is, is ook van jou." Ik ben er toch altijd voor je. Ik ben jouw God, jij bent mijn kind. We leven samen een leven van liefde. Je maakt deel uit van het binnengoddelijke gezin. Maar om het zo te kunnen ervaren, om voor God in zijn liefde te kunnen leven, daar is veel ontzegging voor nodig. Zelfverloochening, zegt Jezus, bereidheid om je kruis te dragen. Als je bereid bent al de dingen op te geven waar het menselijk hart nu eenmaal naar verlangt, waar de mensen niet zonder kunnen leven, en er zelfs niet meer naar wílt verlangen, als je werkelijk God zoekt en God alleen, dan krijg je wat Ignatius ooit aan een bevriend echtpaar heeft geschreven: 'dan zullen zij merken dat zij voortdurend door God worden bezig gehouden, door Hem worden getroost. Ze gaan dan bespeuren hoe God met heel zijn eeuwige goedheid aanwezig is in alle geschapen dingen. 'Daarin kan', zegt hij, 'een geluk schuilen, dat groter is dan welk ander geluk ook'. Een geluk vele malen groter dan het kleine geluk waar het gewone mensenhart naar verlangt: een beetje troost, een beetje aandacht. Het kleine geluk opgeven om zo het grote geluk, het echte geluk te ontvangen. In alles verzaken om God in alles te vinden. Dan zul je je dagelijks brood, het gewone dagelijkse leven ontvangen, zoals de Joden in de woestijn het manna ontvingen, als komend rechtstreeks uit de hemel, uit Gods hand, als komend uit Gods Hart. Want toen de Joden in de woestijn, bijna stervend van honger, dat manna op de woestijngrond zagen liggen en het opraapten en daarmee naar Mozes toeliepen en vroegen: "manna, wat is dat?, zei Mozes: Dit is het brood uit de hemel dat de Heer u te eten geeft" (Ex 16,15).
Als de priester straks het hostiebrood neemt en u dat manna toont, zegt hij hetzelfde van dat hostiebrood als wat Mozes van het manna zei: 'Dit is het Lam van God dat wegneemt, niet de honger, maar de zonden van de wereld'. Opdat u bij alles wat u overkomt, bij alles wat u krijgt aangereikt, hetzelfde zult denken: 'Dit is het brood van God uit de hemel'. Soms zijn het tranen (tranenbrood), soms zijn het beproevingen om u te zuiveren, soms is het berouw over uw zonden om zijn barmhartige liefde te kunnen ontvangen. Niets is er zomaar, niets is zonder zin. Dat maakt allemaal deel uit van de oude schepping. Beproevingen, meevallers, tegenvallers, het is altijd van Hem. 'Alles kan strekken tot uw heil, alles kan u helpen om te komen tot een innige vereniging met uw Schepper en Heer', zegt Ignatius.
Dat is wat wij in de eucharistie vieren. We gaan met Jezus door zijn beproevingen heen, om zo alles opnieuw te ontvangen uit de hand van God.