Eerste lezing: 2 Samuel 7,1-5.8b-11.16 [B 10]; antwoordpsalm: Psalm 89,2-3.4-5.27.29 [B 10]
Tweede lezing: Romeinen 16,25-27 [B 11]; vers voor het evangelie: Lucas 1,38 [B 12]
Evangelie: Lucas 1,26-38 [B 12]
Inleiding
'Rorate, caeli, desuper, et nubes pluant iustum.' 'Dauwt hemelen uit den hoge; wolken, laat als regen de Gerechte neerdalen.' Het heil komt uit de hemel. Maar dan vervolgt het lied: 'Aarde, open u om de Verlosser voort te brengen.' Komt de Verlosser nu uit de hemel of uit de aarde? Komt Hij nu van boven of van beneden? Komt Hij nu in heerlijkheid of in zwakheid? Hij is beiden. Hij is God-Mens. De alleroudste belijdenis van het geloof formuleert het zoals we die vinden in de brief van Paulus aan de Romeinen: "Het is de boodschap over Gods Zoon, die naar het vlees is geboren uit het geslacht van David, en die naar de heilige Geest is aangewezen als Zoon van God door Gods machtige daad, door zijn opstanding uit de doden, Jezus Christus onze Heer" (Rom 1,3.4). Zondags vieren wij de opstanding uit de doden van Hem die in zwakheid als mens is geboren.
We zijn gewoon om de zondagse eucharistieviering te beginnen met een kleine verrijzenis, de verrijzenis van ons zwakke mensen, waarvan de onderdompeling in het waterbad een teken is. Daarin worden wij verenigd met Jezus' doopsel in het water van de Jordaan én in zijn lijdensdoopsel, om samen met Hem door de macht van zijn Vader te worden opgewekt. De opwekking uit de dood was voor de Kerk het teken dat Jezus Zoon van God is. En zo zijn wij, die ten dode waren gedoemd, in het doopsel kinderen van God geworden, begiftigd met het goddelijk leven, met het eeuwig leven in onze ziel.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas
Toen Elisabet zes maanden zwanger was
werd de engel Gabriël van Godswege gezonden
naar een stad in Galilea, Nazaret,
tot een maagd die verloofd was met een man die Jozef heette,
uit het huis van David;
de naam van de maagd was Maria.
Hij trad bij haar binnen en sprak:
Verheug u, de Heer is met u.
Zij schrok van dat woord
en vroeg zich af wat die groet toch wel kon betekenen.
Maar de engel zei tot haar:
Vrees niet Maria, want gij hebt genade gevonden bij God..
Zie, gij zult zwanger worden en een zoon ter wereld brengen
en gij moet Hem de naam Jezus geven.
Hij zal groot zijn en Zoon van de Allerhoogste genoemd worden.
God de Heer zal Hem de troon van zijn vader David schenken
en Hij zal in eeuwigheid koning zijn over het huis van Jakob
en aan zijn koningschap zal nooit een einde komen.
Maria echter sprak tot de engel:
Hoe zal dit geschieden daar ik geen man beken?
Hierop gaf de engel haar ten antwoord:
De heilige Geest zal over u komen
en de kracht van de Allerhoogste zal u overschaduwen;
daarom ook zal wat ter wereld wordt gebracht heilig genoemd worden,
Zoon van God.
Weet dat zelfs Elisabet, uw bloedverwante,
in haar ouderdom een zoon heeft ontvangen en,
ofschoon zij onvruchtbaar heette,
is zij nu in haar zesde maand;
want voor God is niets onmogelijk.
Nu zei Maria:
Zie de dienstmaagd des Heren; mij geschiede naar uw woord.
En de engel ging van haar heen.
Homilie
Vandaag is het de laatste zondag van de Advent en in de lezingen van die vier Adventszondagen worden wij steeds dichter bij het geheim gebracht. De tweede en derde zondag was Johannes de Doper in beeld, maar deze doet alle moeite om zelf uit het beeld te verdwijnen en de aandacht voor hem om te buigen naar Degene van wie hij de voorloper is, precies zoals het een voorloper betaamt. Niet ik, niet mijn doopsel, maar Hij, zijn doopsel. En waarom? Omdat zijn doopsel een doopsel is van de heilige Geest. "Ik heb u gedoopt met water, maar Hij zal u dopen met heilige Geest" (Mc 1,8). Zijn doopsel heeft goddelijke kracht en maakt de mensen tot kinderen van God, zoals we zelf aan het begin van deze viering ook hebben beleden en gevierd.
Vorige zondag sprak Johannes tot de afgezanten uit de kring van de Farizeeën: "Ik doop met water, maar onder u staat Hij die gij niet kent, Hij die na mij komt; ik ben niet waardig de riem van zijn sandalen los te maken" (Joh 1,26.27). De aandacht van Johannes wordt gericht op het doopsel van Degene die komen gaat, een doopsel met goddelijke uitwerking. Maar zijn aandacht gaat ook uit naar de Persoon die dat andere doopsel ten uitvoer brengt, naar die andere Doper waar hij de voorloper van is. Die Doper is zelf God. Ik ben niet waardig mij te bukken en "de riem van zijn sandalen los te maken", en dat is wat op deze vierde zondag van de Advent de inhoud vormt van de verkondiging: Hij is kind van de mensen als Zoon van David en Hij is kind van God, Zoon van God.
Zijn ontvangenis wordt dan ook aangekondigd door een hemelse boodschap: "Toen Elisabet zes maanden zwanger was werd de engel Gabriël van Godswege gezonden." Er moet een engel aan te pas komen om de boodschap te brengen, want God is zelf zo hoog, zo ver, wonend in het ontoegankelijk licht, dat Hij onmogelijk zelf kan komen. Als Hij zelf zou komen, zou dat het einde zijn van de mens. Niemand kan God zien, hij zou sterven. Om de mens te sparen en toch heel dicht bij de mensen te komen, zendt Hij zijn engel. Wie is als God? Die spreekt als God! Een ambassadeur spreekt als de koning of als de president van het land dat hij vertegenwoordigt. Maar wat treft de engel daar aan? "Een maagd die verloofd was met een man die Jozef heette, uit het Huis van David." Zo luidt dan ook onze geloofsbelijdenis: de boodschap over Gods Zoon, die naar het vlees is geboren uit het geslacht van David (Rom 1,3). Dát is zijn menselijke identiteit.
David is een koning van wie in de eerste lezing verhaald wordt, dat hij uit de steppe gehaald werd, achter de schapen vandaan. Hij is weliswaar succesvol geweest, maar kon eigenlijk niets zonder de kracht van God. Hij is een mens en hij mag al zijn successen toeschrijven aan God. Hij is een zondig mens. Is niet het Miserere, Psalm 51, van hem, waarin hij belijdt dat hij een mensenkind is, zondig vanaf de geboorte, vanaf de ontvangenis, reeds in de moederschoot, met de kiemen van de dood in zijn lichaam, met de kiemen van de dood in zijn ziel.
Nu komt de engel dus bij Maria. Maar hoe anders is deze vrouw dan de andere mensenkinderen. Hoe anders dan Zacharias. Neem alleen al het binnenkomen. Bij Zacharias heette het: een verschijning. "Er verscheen hem een engel des Heren, staande aan de rechterkant van het wierookaltaar. Toen Zacharias hem zag, ontstelde hij en werd door vrees bevangen" (Lc 1,11.12). Niets van dit alles is het geval bij dít mensenkind. "De engel trad bij haar binnen en sprak: Verheug u, Begenadigde, de Heer is met u." Het is zo'n gewoon tafereel, zo gewoon, als was er geen verschil tussen de hemel van God waar de engel vandaan kwam en die hij in heel zijn gestalte schitterend vertegenwoordigde, én het huis, maar vooral het hart van Maria. Zij was helemaal op God gericht, helemaal van God vervuld. Een steen kan niet strakker naar de aarde vallen dan het hart van Maria gericht is op de hemel, op God. Zij is vol van God, vol van genade.
Dat was het wat Maria van haar stuk bracht. Altijd was zij helemaal op God gericht, haar hart was op het hemelse gericht, op de Bron, en dan draait de engel ineens het perspectief om: "De Heer is met u." Hij, van wie zij vervuld was, richt nu zijn aandacht, zijn liefde, op haar. Daarvan is ze overstuur, de richting kwijt, ontsteld. "Ze schrok van dat woord. En daarom zegt de engel dan ook: Vrees niet, Maria, ge hebt genade gevonden bij God."
Genade wordt altijd gegeven om een opdracht te kunnen vervullen. "Zie, gij zult zwanger worden en een Zoon ter wereld brengen.
God de Heer zal Hem de troon van zijn vader David schenken." Dat is de Beloofde, de Messias, uit het geslacht van David; naar het vlees geboren, kind van de mensen uit het geslacht van David. Toen sprak Maria: "Hoe zal dit geschieden daar ik geen man beken?" Dat is geen tegenwerping, maar een vraag die voortkwam uit een andere genade die zij van God had ontvangen: de genade van de maagdelijkheid, waarvoor zij had gekozen uit kracht van de genade. Maria deed niets zonder God. Dat zij er van afzag om de moeder van de Messias te worden, was haar ingegeven door God. En nu vraagt zij zich af en stelt die vraag ook aan de engel: hoe zou God nu deze genade, de genade van de maagdelijkheid, verenigen met die andere genade die u mij nu aankondigt: de genade van het moederschap?
Het antwoord op deze vraag is: de heilige Geest. Het kind wordt niet uit mannelijke kracht, maar "de heilige Geest zal over u komen en de kracht van de Allerhoogste zal u overschaduwen." Zoals de wolk geladen met Gods aanwezigheid boven de tent van samenkomst, boven het Tabernakel en boven het volk van God hing, zo trekt nu die wolk van Gods aanwezigheid samen op de spits van het nieuwe volk Gods: Maria. Het is een goddelijke geladenheid, een vervuld zijn van God zelf. De engel voegt er dan ook aan toe: "Daarom ook zal wat ter wereld wordt gebracht - uit u geboren wordt - heilig genoemd worden, Zoon van God." Dat is Jezus' tweede identiteit: Zoon van God, uit de heilige Geest geboren. Daarom heeft ook zijn doopsel kracht van de heilige Geest, en is ook de uitwerking van het doopsel goddelijk: wij worden kinderen van God. God en mens worden met elkaar verenigd.
Kerstmis is een familiefeest, een feest van geborgenheid, van intimiteit. Niet zoals de mensen dat plegen te denken en te vieren, een geborgenheid van mensen onder elkaar, een onderonsje, maar een groter 'wij', het 'wij' van God en de mensen. Hij zal heten Immanuël, God-met-ons. Ons onderling samenzijn wordt niet verbroken, maar wordt open gemaakt in een God-menselijk samenzijn.
Dat is ons heilig geloof, dat elke keer als wij dat geloof in het Credo belijden, nog eens opnieuw wordt uitgezegd.