Vierde zondag van Pasen,
            jaar B
                         Roepingenzondag - Zondag Goede Herder


Eerste lezing: Handelingen 4,8-12
Tweede lezing: 1 Johannes 3,1-2  
Evangelie: Johannes 10,11-18  


Inleiding  

'Van Gods goedheid is heel de aarde vervuld.' We leven in de tijd van de globalisering. De handel, het nieuws, de cultuur, het reizen, heel de wereld is als één dorp. Degenen die het verst van ons verwijderd zijn, zijn het dichtste bij, en daardoor raken degenen die het dichtste bij ons zijn, ver van ons verwijderd.
God was al met globalisering bezig in de tijd dat die psalm, waaruit het intredelied genomen is, werd geschreven. Heel de aarde is vervuld van Gods goedheid, van zijn barmhartigheid, en Hij slaagt erin om de geglobaliseerde aandacht voor heel de wereld tegelijkertijd gepaard te doen gaan met zijn zorg voor iedere enkeling persoonlijk. Dat is God! God moet een groot Hart hebben, een Hart zo groot als de wereld.
Hans Urs von Balthasar heeft aan een boekje over het heilig Hart van Jezus de titel gegeven: 'Hart van de wereld', een hart met zorg op maat voor ieder persoonlijk. Als een herder die persoonlijke zorg voor elk dier, gevoelens van tederheid voor elk schaap combineert met zorg voor de hele kudde. Die twee samen, zo is God! Hij kent ons allemaal, maar Hij kent ook ieder van ons persoonlijk, Hij neemt ons persoonlijk aan, Hij geeft zelfs zijn eigen leven aan ieder van ons persoonlijk. Dat doet Hij in het doopsel. Ieder van ons wordt dan ook altijd persoonlijk gedoopt. Franciscus Xaverius doopte een hele massa mensen tegelijk, maar dat deed hij niet in één zwaai, nee, ieder van die grote massa werd apart gedoopt, zodat hij er een lamme hand van kreeg.
Aan het begin van deze viering mogen wij ons bewust maken, dat wij persoonlijk door Herder Jezus gered zijn, doordat Hij ons zijn leven heeft gegeven, en dat Hij met het geven van zijn leven de zorg voor heel ons leven op Zich heeft genomen.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes

In die tijd sprak Jezus tot zijn leerlingen:
“Ik ben de goede herder.
De goede herder geeft zijn leven voor zijn schapen.
Maar de huurling
die geen herder is en geen eigenaar van de schapen,
ziet de wolf aankomen,
laat de schapen in de steek en vlucht weg;
de wolf rooft ze en jaagt ze uiteen.
Hij is dan ook maar een huurling
en heeft geen hart voor de schapen.
Ik ben de goede Herder.
Ik ken de mijnen en de mijnen kennen Mij,
zoals de Vader Mij kent en Ik de Vader ken.
Ik geef mijn leven voor de schapen.
Ik heb nog andere schapen
die niet uit deze schaapsstal zijn.
Ook die moet Ik leiden
en ze zullen naar mijn stem luisteren
en het zal worden: één kudde, één herder.
Hierom heeft de Vader Mij lief,
omdat Ik mijn leven geef
om het later weer terug te nemen.
Niemand neemt het Mij af,
maar Ik geef het uit Mijzelf.
Macht heb Ik om het te geven
en macht om het terug te nemen:
dat is de opdracht
die Ik van mijn Vader heb ontvangen.”

Homilie  

“Ik ben de goede herder."
De Joden waren gefascineerd door het herderleven. Ze waren zelf van oorsprong een volk van herders. Abraham was een herder, Isaak was een herder, Jakob een herder. Mozes hoedde de kudde van zijn schoonvader Jitro toen hij in de woestijn de stem van God hoorde, God, de goddelijke Herder, die bedroefd was om zijn kudde in verdrukking in Egypte. En David werd door Samuel achter de kudde vandaan gehaald om hem tot koning te zalven, om te leven als herder met zijn kudde.
Herder zijn was geen beroep, het was geen vak, het was een leven. Herderen deed je niet voor een dagdeel, ja, dat kon wel, maar dan was je een huurling, die leidde verder zijn eigen leven nadat hij uitgeherderd was. Als het tijd was, ging hij weg. Nee, een echte herder was je met huid en haar, met je leven, met je hart. Ik heb eens een heilig Hartbeeld gezien, uitgebeeld met Jezus' brandend Hart en een schaap aan zijn voeten. Of zoals die heel oude beelden van onze Verlosser, uitgebeeld als Herder met een schaap op zijn schouder.

In die tijd was herder zijn een levensvorm, het was iets van het hart, iets wat iemand doet met heel zijn wezen, zodat niets hem teveel is. Die opofferende bekommernis strekt zich uit tot de enkeling. De herder ziet het als zijn taak dat er geen enkel dier uit zijn kudde verloren gaat, desnoods laat hij de negenennegentig achter om het ene verdwaalde, het ene verlorene te zoeken. En terwijl ze zo dat gebeuren zelf beleefden en ook zagen beleven, kwam er vanzelf in hen op: "De Heer is mijn Herder" (Ps 23). God is voor hen de Herder.

Jezus zegt vandaag: "Ik ben de goede herder." Hij is de echte Herder, de enige die die naam verdient, ja, waarvan die naam is afgeleid. Zoals het vaderschap iets van God is. Ook mensen kunnen vader genoemd worden, maar dat is dan met verwijzing naar. Het is een afleiding, een aftapping van het echte vaderschap van God in de hemel. De aardse herders zijn een beeld van de enige echte Herder en dat is God.

Zo is het ook met het herderschap van Jezus. Want dat enige, echte herderschap van God blijft niet bij God, maar dat daalt vanuit de hemel neer op aarde in Jezus. "Ik ben de goede Herder.” Door dat woordje: “Ik ben" te gebruiken, eigent Jezus Zich de Naam van God toe, want dat had God namelijk tot Mozes gezegd toen deze vroeg naar zijn Naam. 'Hoe moet ik U dan noemen?' 'Ik heb geen gewone naam, maar een Naam die is boven alle namen. Wie Ik ben is niet met een naam uit te drukken; zeg maar: "Ik ben die ben." Zeg maar: Ik ben er voor jullie. Wees maar niet bang, het is niet bedreigend. Je hoeft niet bang te zijn. Dat Ik mijn Naam niet noem, komt omdat mijn wezen niet in een naam is uit te drukken. Er valt dus ook niet mee te manipuleren. Zeg maar: Ik ben er voor jullie.' Gods Naam is een aanwezigheid en vanuit die aanwezigheid geeft Hij liefde, zorg, bevrijding, genezing, herstel, uitbloei van en overvloed aan leven.

God is een onuitputtelijke bron van zorg, van begeleiding. Zoiets gaat er ook uit van een herder naar zijn kudde. Altijd en bij welke gebeurtenis ook kan er een beroep op hem gedaan worden, precies als kinderen beleven bij goede vaders en moeders; die zijn er altijd, daar kun je altijd op terugvallen. Geen nood, vader en moeder zijn er. God is er, de Herder is er. Hij is er voor iedereen, voor het gezin, voor de kudde, voor het geheel. Ze worden één kudde, één herder. De zorg voor het geheel is aan God toevertrouwd, maar ook de zorg voor iedere enkeling, voor ieder persoonlijk.

"Ik ben de goede Herder.” … “Ik ken de mijnen en de mijnen kennen Mij." De herder heeft hart voor de schapen als kudde, maar ook als enkeling. Dat hoort nu juist tot het herder zijn. En dan komt als vanzelf bij de mensen van die tijd, - en Jezus heeft dat overgenomen, - een beeld voor ogen van de herder die bij het binnendrijven van de kudde in de opening van de omheining gaat staan. Met zijn eigen gestalte maak hij deze opening zo klein, dat er steeds maar één schaap door kan, zodat hij ieder schaap persoonlijk kan controleren. Is het gezond of is het ziek? Heeft het misschien zijn pootje gebroken? Heeft het misschien schurft of wat dan ook? Hij geeft persoonlijke zorg voor ieder dier afzonderlijk, en tevens kan hij ze tellen. Eén voor één laat hij ze door en zo weet dan ook precies of hij er van de honderd eentje kwijt is. Als dát zo is, gaat hij er op uit om die ene te zoeken (vgl. Mt 18,12-14).

De herder heeft zorg voor de enkeling, voor het ene schaap. Hij kent ze allemaal. Wij zien geen enkel verschil, maar hij kent ze stuk voor stuk. Hij kent ook precies het karakter van de dieren: het stoute dier, het goede dier, het volgzame dier, het ongehoorzame dier, het eigenwijze dier, het verstandige dier, het moederdier. Dat is voor mensen die het herdersvak niet kennen iets onbegrijpelijks. Maar zo is het ook voor ons onbegrijpelijk, dat God voor zoveel mensen een persoonlijke zorg kan hebben, een persoonlijke kennis, ja, dat Hij zelfs voor ieder mens zijn leven kan geven.
Dat is nu precies wat wij vandaag vieren, dat God zijn leven geeft vóór zijn schapen en dat Hij dat leven dan ook nog geeft áán zijn schapen. Dat wij datzelfde herdergevoel ook in onszelf van Hem mogen ontvangen. Iedere keer als wij eucharistie vieren, mogen wij meemaken dat brood en wijn veranderen in het Lichaam en Bloed van Christus, én, - en daar gaat het nu net om, - dat Hij óns verandert in herders. Hij maakt ons van huurlingen tot herders, met een herdermentaliteit zoals die van Jezus, die zijn leven geeft voor zijn schapen.