Vierde zondag van Pasen,
              jaar A
                        Roepingenzondag - zondag Goede Herder


Eerste lezing: Handelingen 2,14a.36-41 [A 86]; antwoordpsalm: Psalm 23,1-3a.3b-4.5.6 [A 86];
tweede lezing: 1 Petrus 2,20b-25 [A 87]; vers voor het evangelie: Johannes 10, 14 [A 88]
evangelie: Johannes 10,1-10 [A 88]


Inleiding  

Vandaag is het de vierde zondag van Pasen, zondag 'Goede Herder'. Pasen ligt niet achter ons, Pasen reist met ons mee. De goede Herder gaat zijn kudde voor en blijft met zijn stem zijn schapen leiden. Want één keer aan zijn herderzorg toevertrouwd, vormen wij samen een eenheid: Jezus en zijn Kerk, onafscheidelijk. Hij is in ons leven gekomen, opdat wij leven zouden bezitten in Hem, leven in overvloed.
Aan het begin van deze zondagse eucharistie herinneren wij ons het doopsel waardoor wij aan Jezus' herdersschap werden toevertrouwd, waardoor wij onder zijn hoede kwamen. Dat was het moment dat Hij ons onder zijn hoede nam en wij gered werden uit dit ontaarde geslacht, zoals we in de eerste lezing zullen horen.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes


In die tijd zei Jezus:
“Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u:
Wie niet door de deur, maar langs een andere weg
de schaapskooi binnengaat, hij is een dief en een rover.
Maar wie door de deur binnengaat, is de herder van de schapen.
Hem doet de deurwachter open.
De schapen luisteren naar zijn stem;
Hij roept zijn schapen bij hun naam en leidt ze naar buiten.
En als hij al zijn schapen naar buiten heeft gebracht,
trekt hij voor hen uit, terwijl zij hem volgen
omdat zij zijn stem kennen.
Een vreemde echter zullen ze niet volgen,
in tegendeel, ze zullen van hem wegvluchten,
omdat ze de stem van de vreemde niet kennen.”
Deze gelijkenis vertelde Jezus hun,
maar ze begrepen niet wat Hij hun wilde zeggen.
Een andere keer zei Jezus tot hen:
“Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u:
Ik ben de deur van de schapen.
Allen die vóór Mij zijn gekomen
zijn dieven en rovers,
maar de schapen hebben niet naar hen geluisterd.
Ik ben de deur.
Als iemand door Mij binnengaat, zal hij worden gered;
hij zal in- en uitgaan en weiden vinden.
De dief komt alleen maar om te stelen,
te slachten en te vernietigen.
Ik ben gekomen opdat zij leven zouden bezitten
en wel in overvloed.”

Homilie    

“Wie door de deur binnengaat, is de herder van de schapen."
Misschien is het u niet zo opgevallen, maar als je dit leest of hoort, kun je er uit opmaken dat de Herder niet binnen is bij zijn schapen, maar dat hij van buitenaf binnenkomt terwijl de schapen daar al zijn, en dat dan pas de schapen door Hem en achter Hem aan naar buiten worden geleid.
Het eerste wat Jezus doet is niet zorgen dat je binnen bent, maar zorgen dat je ergens uit weggaat. En daar zet Hij zijn volle gezag van goddelijke Persoon achter. Hij doet dat door die woorden van dat binnengaan van de herder en van die schapen naar buiten leiden, te laten voorafgaan door de woorden: "Voorwaar, voorwaar Ik zeg u." God leidt ons weg uit onszelf, want waar anders zouden wij uit weg moeten om Jezus te volgen.

Voor de toehoorders van dit evangelie was de schaapskooi, waaruit Jezus hen naar buiten leidde, het Jodendom, want Jezus sprak deze woorden in de tempel, in de Zuilengang van Salomo. De tempel had een voorhof, en dat was een open, omheinde ruimte, zo ongeveer als de colonnade van Bernini op het Sint Pietersplein in Rome, die dat plein, zeker aan het begin, omgeven, waardoor het ook een soort omheinde ruimte vormt. Nu, dat gold ook voor het tempelplein, alleen had dat wel niet zo'n ronde vorm maar een rechthoekige, als van een schaapskooi. Voor voorhof en schaapskooi werd ook nog eens hetzelfde woord gebruikt.

"Wie door de deur de tempel binnengaat,
- en dat betekent: langs de wettige weg, - hem doet de deurwachter, - en dat is de hogepriester, - open." Jezus doet geen inbraak in het Jodendom, nee, Hij komt langs de wettige weg. Hij komt niet als een dief of een rover, en Hij komt ook niet met geweld. Als Jezus zijn stem laat horen, dan komt die van binnenuit, niet van buitenaf. Vreemden kunnen er toe komen om geweld te gebruiken, maar tegenover je eigen mensen doe je dat niet. Dan spreek je zacht, en je spreekt ook zachtjes de namen uit. "Hij roept zijn schapen bij hun namen en Hij leidt ze naar buiten”, en dat doet Hij met zachte stem, niet gewelddadig. “Leert van Mij: Ik ben zachtmoedig en nederig van hart" (Mt 11,29).

"En als Hij al zijn schapen naar buiten heeft gebracht." Al zijn schapen? Ja, Hij laat niemand achter. Ofwel je hoort tot zijn schapen, omdat Hij je roept en naar buiten leidt, en jij met Hem mee gaat om samen met Hem één leven te leiden, ofwel je blijft binnen, doordat je niet met Hem mee gaat, maar dan behoor je niet tot zijn schapen. Want tot zijn schapen behoren betekent: met Hem mee gaan, je door Hem laten leiden, achter Hem aan gaan. "En als Hij al zijn schapen naar buiten heeft gebracht, trekt Hij voor hen uit”, en zó worden zij gered. “Redt u uit dit ontaarde geslacht," zegt sint Petrus in zijn doopbrief en in zijn preek in de Handelingen der Apostelen.

Misschien hebt u wel helemaal niet het gevoel dat u gered moet worden; misschien hebt u helemaal niet het gevoel dat u Jezus, de Kerk, of een priester nodig hebt. Misschien brengt u wel grote gedeelten van uw dag door, - als u het dan toch zelf voor het zeggen hebt, - zonder aan Jezus te denken. En misschien denkt u ook wel: och, de gewone middelen zijn goed genoeg, hier en daar een steentje, maar voor de rest bouw ik mijn eigen leven wel op, houd ik zelf wel de teugels in handen. Nu, dan zegt het evangelie u vandaag, dat u vroeg of laat verloren loopt, en misschien wel zó dat u zelfs de kans loopt om helemaal verloren te gaan. Want wij verkeren in nood, in uiterste nood. Heel onze wereld verkeert in doodsnood. Ze ligt vol vergif, dodelijk vergif, vol explosieven, tijdbommen. De wereld is letterlijk een veld vol mijnen, want er liggen er nog steeds miljoenen uitgezaaid over de hele wereld. Maar die mijnen liggen ook klaar in onszelf, in ons hart.

Petrus zegt niet voor niets: "Redt u uit dit ontaarde geslacht." In zijn tijd waren er natuurlijk nog geen tijdbommen, geen mijnen, en ook geen atoombommen, maar ook toen, evenals nu, is het menselijk geslacht in dodelijk gevaar verloren te gaan aan zijn zelfzucht. En degene die u zeggen dat het u goed gaat en dat u het goed doet, dat zijn nu de dieven en de rovers. Dat zijn de wolven in schaapskleren, en die zijn nog gevaarlijker dan de wolven in wolfshuid. Want zonder Jezus, zonder voortdurend contact met Hem, zonder in voortdurende verbondenheid te leven met Hem, is het geen leven op aarde. Zonder de Kerk is het geen leven op aarde en heb je ook geen persoonlijk veilig leven. We zijn ten dode opgeschreven.

Jezus is de Herder die ons wegleidt, niet uit de schaapskooi of uit een omheinde ruimte, maar Hij voert ons weg uit de ondergang van onszelf. En Hij voert ons niet naar een andere kudde of zo, nee, Hij begeleidt ons, Hij leidt met ons het zelfde leven. En dát is onze redding. We worden niet naar een andere plaats geleid, nee, we worden naar Jezus geleid. Hijzelf leidt ons tot Zich. Wij volgen Hem en blijven bij Hem, en Hij blijft bij ons.

Dat is nu precies wat we in iedere eucharistie metterdaad aan ons mogen laten gebeuren: dat Hij ons zijn leven geeft. Hij geeft zijn leven vóór zijn schapen, maar Hij geeft zijn leven ook áán zijn schapen. Wij leven van zijn leven!