Kersttijd
Dinsdag 5 januari 2010
                Zalige Karel Houben van sint Andries, priester


Eerste lezing: 1 Johannes 3,11-22
Evangelie: Johannes 1,43-51


Inleiding      

Karel Houben van Sint Andries werd priester gewijd in Nederland en na zijn priesterwijding uitgezonden naar Engeland. Daar kregen de immigranten uit het arme Ierland lucht van zijn pastorale werk. Na een tijd werd hij vanuit Engeland uitgezonden naar Ierland, Dublin, waar de Paters Passionisten een nieuwe stichting in het leven hadden geroepen. Er werd veel van zijn krachten gevraagd, want al spoedig ontdekten de mensen dat hij een heilig priester was. Bijna elke dag zat hij in de biechtstoel, waardoor hij faam kreeg als zielenarts. Er ging iets genezends, iets helends van hem uit wat heel diep ingreep in de ziel van de mensen die bij hem kwamen. Maar dat helende en genezende was dan ook iets wat deze zielenherder zelf aan den lijfe had ondervonden van ons aller Zielenherder Jezus. Vanuit een diep innerlijk leven kreeg hij voortdurend zorg, zielzorg van zijn Herder Jezus.
Beginnen wij deze eucharistieviering met onze schuld voor God te belijden, dat wij ons te weinig laten verzorgen door onze Zielenherder Jezus, die ons nu wil leiden met zijn woord en met zijn zelfgave.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes

In die tijd, toen Jezus naar Galila wilde vertrekken,
trof Hij Filippus aan en zei tot hem: “Volg Mij.”
Deze Filippus was van Bethsaïda,
de stad van Andreas en Petrus.
Filippus ontmoette Natanaël en zei hem:
“Degene waarover Mozes in de Wet geschreven heeft
en ook de profeten, Hem hebben wij gevonden:
Jezus, de Zoon van Jozef, uit Nazareth.”
Natanaël smaalde: “Uit Nazareth?
Kan daar iets goed vandaan komen?”
Waarop Filippus antwoordde: “Kom dan kijken.”
Jezus zag Natanaël naar Zich toekomen en zei,
doelend op hem:
“Dat is waarlijk een Israëliet in wie geen bedrog is.”
Natanaël zei tot Hem: “Hoe kent Ge mij?”
Jezus gaf hem ten antwoord:
“Voordat Filippus u riep, zag Ik u onder vijgeboom zitten.”
Toen zei Natanaël tot Hem:
“Rabbi, Gij zijt de Zoon Gods,
Gij zijt de Koning van Israël.”
Jezus antwoordde:
“Omdat Ik u zei dat Ik u onder de vijgeboom zag,
gelooft ge? Gij zult grotere dingen zien dan deze.”
En Hij voegde er aan toe:
“Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u,
gij zult de hemel open zien
en de engelen Gods zien opstijgen en neerdalen
in dienst van de Mensenzoon.”

Homilie      

De Kerk houdt onze aandacht nog steeds bij het begin, hoe het allemaal begonnen is. Sint Jan doet in zijn eerste brief een beroep op wat de leerlingen, zijn parochianen, vanaf het begin gehoord hebben. Wat is dat dan? Wat ligt er nu aan het fundament van ons christelijk leven en samenleven? Wat ten grondslag ligt aan ons christelijk leven is "dat we elkaar moeten beminnen." Dat we onze broeders en zusters liefhebben, maar dan zoals Christus óns heeft liefgehad. Hij heeft zijn leven voor ons gegeven, dus zijn ook wij verplicht ons leven te geven voor onze broeders en zusters. Dat noemt sint Jan de goddelijke liefde. "Wij moeten niet lief hebben met leuzen en woorden maar met concrete daden."

Het gaat er bijvoorbeeld om, dat als je iets geeft, je dat niet doet om terug te ontvangen. Of: dat je niet alleen je broeders groet, die jou vanuit de constellatie als broeders terug moeten groeten, maar dat je ook vreemdelingen groet die niet terug groeten. Of: dat je voor een gastmaal niet alleen je buren, vrienden of bloedverwanten uitnodigt, mensen die zich verplicht voelen op hun beurt jou terug uit te nodigen, maar dat je mensen uitnodigt die jou niet terug kunnen vragen. Volgens het woord van sint Paulus - en dat heeft Jezus ooit gezegd - "is het is zaliger te geven dan te ontvangen" (Hnd 20,35). En wat moet je dan geven? Je leven! Bij het geven komt het er dus niet zozeer op aan wát je geeft, of het veel is of weinig, de kwantiteit, maar dat je bij datgene wat je geeft jezelf geeft. Dat je iets geeft wat op dit ogenblik alles voor je betekent en in die zin jezelf is, zoals je laatste snee brood, de laatste vijf minuten die je nog voor jezelf had, een glimlach in plaats van een chagrijnig gezicht, zodat ze uit je buurt blijven en je niet veel durven te vragen. Het gaat om wat vanuit het allerdiepste in je hart omhoog welt; dát wordt gevraagd om in de menselijke verhoudingen te worden ingezet.

In zekere zin ben je daartoe ook verplicht. Het staat wel niet in de Regel (van Benedictus) en het is ook niet direct een gebod zoals de andere geboden. De andere geboden zijn altijd aan bepaalde omstandigheden gebonden, in die omstandigheden wel en in andere omstandigheden niet. Je kunt niet zeggen dat de Regel je gebiedt om een daad van goddelijke liefde te stellen. Nee, in alle omstandigheden en altijd ben je daartoe verplicht en wel van binnenuit, door de heilige Geest. Dat is de inwendige wet van de goddelijke liefde. Je geweten! Daar heeft sint Jan het ook over. Het is het geweten in verbondenheid, in gemeenschap, met Jezus. "Hij heeft zijn leven voor ons gegeven.” Door die heilige Geest ben je zelf gezalfd, ingewijd, heeft sint Jan de afgelopen dagen verschillende malen gezegd in de lezingen: “Ook gij hebt van de Heilige de inwijding ontvangen. Ook gij bezit allen kennis” (1 Joh 2,20). Dat is de innerlijke kennis van de liefde. “Wat uzelf aangaat, de inwijding die gij van Hem ontvangen hebt blijft u bij, gij hebt geen andere leraar nodig. Zijn wijding onderricht u in alles (1 Joh 2,27). Dat is wat het Nieuwe Verbond onderscheidt van het Oude Verbond. De Wet, door Mozes gegeven, wordt nu verrijkt door de inwendige wet van de liefde, van de goddelijke liefde, “vol genade en waarheid.” … “Van zijn volheid hebben wij allen ontvangen; genade op genade" (1 Joh 1,14.16). Het houdt niet op; het blijft maar borrelen vanuit de diepste grond van je hart.

In het evangelie van vandaag kunnen we zien hoe die goddelijke liefde aan het begin staat van het heilswerk van onze Heer Jezus. De één brengt door die goddelijke liefde de ander in aanraking met Jezus. Johannes de Doper maakt twee van zijn leerlingen attent op Jezus: "Zie het Lam Gods.” … “Ze gingen Hem achterna en ze bleven die dag bij Hem" (Joh 1,36.37.39). Andreas, één van beiden, brengt even later zijn broer Petrus in contact met Jezus, en Filippus, die uit de stad van Petrus en Andreas komt, Bethsaïda, wordt ook bij Jezus gebracht, en deze Filippus brengt op zijn beurt Natanaël weer naar Jezus. Daarvan hebben wij vandaag het roepingsverhaal gehoord.

Een ander brengt ons dus bij Jezus, Hij roept ons dan persoonlijk en wij volgen Hem. Zo moet je dat doorzien; het is God die door een ander werkt. God werkt in de één en maakt de ander attent op Jezus. Echt goddelijk! De broederliefde, zegt sint Jan, is echt goddelijke liefde, tot stand gebracht door Gods heilige Geest.
U (de zusters van priorij Nazareth) bent gewoon Jezus hier te aanbidden in het heilig Sacrament, maar eigenlijk moet u Hem ook aanbidden in de ander en in uzelf. De garantie dat u Hem werkelijk in het heilig Sacrament aanbidt, is dat u Hem tevoren en daarna aanwezig weet in de ander en Hem in die ander aanbidt.

Komen, zien en bij Jezus blijven. Verblijven waar Hij verblijft. Een heel eenvoudig woordje. Hij verblijft hier, want Hij wordt hier (in priorij Nazareth) dagelijks in het heilig Sacrament uitgesteld ter aanbidding. Maar als je wel een leerling bent maar niet die roeping hebt, dan woont Jezus in je hart op de plek waar je bent. Jezus is op vele plaatsen woonachtig. Overal waar mensen leven in verbondenheid met Hem en handelen met hun medemensen volgens zijn liefde, de liefde van geven zonder te willen terug ontvangen, van je leven geven, daar woont Hij en daar verblijft Hij.