Vijfde dag van het kerstoctaaf
            Heilige Thomas Becket, bisschop en martelaar



Eerste lezing: 1 Johannes 2,3-11 [I 51]
Evangelie: Lucas 2,22-35 [I 52]


Inleiding  

Het Kind dat in de kribbe in de kerststal ligt, in doeken gewikkeld, dat kleine en hulpeloze Kind, bevat het grote, het hulpbrengende. Het Kind dat niet in staat is Zichzelf te redden en die ook afziet van alle pogingen om dat te doen, is zelf de Redder. Hij is de Redder, maar zijn Naam is: Jezus, dat betekent: 'God redt.' Hij laat al de pogingen en mogelijkheden om Zichzelf te redden aan God over. In dat vertrouwen begint Hij het leven en eindigt Hij het.
Dat is tevens de korte samenvatting van heel het gebeuren tijdens de eucharistie. U wordt uitgenodigd om straks bij de offerande met het brood en de wijn uw leven aan God uit handen te geven. Uw mogelijkheden om te redden aan God uit handen te geven, om dan te merken dat Hij het initiatief overneemt. 'Dit is mijn Lichaam, dit is mijn Bloed.'

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas

Toen de tijd aanbrak waarop Maria en het Kind volgens de
Wet van Mozes gereinigd moesten worden,
brachten zijn ouders Jezus naar Jeruzalem
om Hem aan de Heer op te dragen,
volgens het voorschrift van de Wet des Heren:
elke eerstgeborene van het mannelijk geslacht
moet aan de Heer worden toegeheiligd,
en om volgens de bepaling van de Wet des Heren
een offer te brengen,
namelijk een koppel tortels of twee jonge duiven.
Nu leefde er in Jeruzalem een zekere Simeon,
een wetgetrouw en vroom man
die Israëls vertroosting verwachtte,
en de heilige Geest rustte op hem.
Hij had een godsspraak ontvangen van de heilige Geest
dat de dood hem niet zou treffen
voordat hij de Gezalfde des Heren zou hebben aanschouwd.
Door de Geest gedreven was hij naar de tempel gekomen.
Toen de ouders het kind Jezus daar binnenbrachten
om aan Hem het voorschrift der Wet te vervullen,
nam ook hij het Kind in zijn armen
en verkondigde Gods lof met de woorden:
“Uw dienaar laat Gij, Heer,
nu naar uw woord in vrede gaan:
mijn ogen hebben thans uw Heil aanschouwd
dat Gij voor alle volken hebt bereid;
een licht dat voor de heidenen straalt,
een glorie voor uw volk Israël.”
Zijn vader en moeder stonden verbaasd
over wat van Hem gezegd werd.
Daarop sprak Simeon over hen een zegen uit
en hij zei tot Maria, zijn moeder:
“Zie, dit Kind is bestemd tot val of opstanding
van velen in Israël,
tot een teken dat weersproken wordt,
opdat de gezindheid van vele harten openbaar moge worden;
en uw eigen ziel zal door een zwaard worden doorboord.”

Homilie    

“Elke eerstgeborene van het mannelijk geslacht moet aan de Heer worden toegeheiligd."
Dat deden de Joden met alle eerstelingen, de eerstelingen van de oogst, de eerste worp van een dier. Dat deden ze als teken dat alles van God komt, dat ze alles aan God te danken hadden, ook wat na die eerstelingen komt en ze niet aan God hoefden te offeren. Zij waren bereid om alles aan God terug te geven.

Dat toeheiligen, dat toewijden, dat consacreren, gebeurde toen Jezus door zijn ouders uit handen werd gegeven aan de priester, en hij het Kind opdroeg, toewijdde, consacreerde, aan God, aan zijn hemelse Vader. De blik van Jozef en Maria ging mee de hoogte in, mee de ruimte in, naar God in de hemel. Het Kind dat zij van God hebben gekregen, geven zij nu aan God terug. Heel de toekomst, alles wat onzeker en onzichtbaar is, vertrouwen zij aan God toe. Het Kind is veilig bij God, de eigenlijke Vader, veiliger dan bij de mensen, veiliger dan bij henzelf.

Hoe ver dit geloof is gegaan, hoe absoluut hun vertrouwen is geweest, blijkt uit dat het bestand is gebleken tegen de allergrootste beproevingen. Onwankelbaar was en bleef Maria's geloof. Zij werd zalig geprezen door Elisabeth "omdat zij geloofd heeft, dat tot vervulling zou komen wat haar vanwege de Heer, over dit Kind, gezegd was," en zij bleef daarin geloven toen haar letterlijk alles werd afgenomen wat die hoop rechtvaardigde, tot onder het kruis. 'Stabat Mater dolorosa.' Zij bleef staan onder de beproeving van dat smartvolle. "Zalig zij die naar het woord van God luisteren en het onderhouden" (Lc 1,28). Dat betekent dat haar hart openbleef, dat het niet dicht sloeg, niet dicht klapte en dat zij zich niet teleurgesteld afwendde, zich niet afsloot voor God toen een zwaard haar hart doorboorde.

"Elke eerstgeborene van het mannelijk geslacht moet aan de Heer worden toegeheiligd." Jezus' eerste heilige mis. Zoals bij Maria de bereidheid om helemaal te geloven er van meet af aan inzat, zo zit bij Jezus die openheid, dat verlangen om Zich helemaal te geven als slachtoffer voor de zonden van de mensen, er al helemaal in.
Bij iedere heilige mis doen wij hetzelfde als wat ons in dit evangelie wordt voorgedaan. Ook wíj nemen brood en wijn, dat betekent dat we ons eigen leven nemen en dat in de handen van de priester leggen, de priester heft het naar God op, om door Hem te laten doen wat wij ervan verwachten: het op te nemen in zijn liefde, in zijn Zoon. 'Dit is mijn Lichaam voor u.' … 'Dit is mijn Bloed dat voor u wordt vergoten tot vergeving van de zonden.'

Alle onvrede, alle verstrooidheid, alle zelfzucht, alle kwaad van de wereld wordt zo uit het gesloten circuit van de wereld weggenomen en opgenomen in dat nieuwe verlossingsplan van God, in een nieuwe liefde, een nieuwe bevrijding, een nieuwe schepping.