Eerste lezing: Genesis 17,3-9
Evangelie: Johannes 8,51-59
Inleiding
'Da gloriam nomino tuo.' 'Geef eer aan Uw Naam.' Aan de naam van God, wordt hier in het openingslied bedoeld. "Vóór Abraham werd ben Ik," zegt Jezus in het evangelie. Dat is de naam van God: Hij is. En hoe legt Hij zelf die naam uit? Ik ben Jahweh, geduldig, eindeloos geduldige liefde, barmhartig en genadig. Dat is de naam van God. Handel dus met ons volgens uw veelvoudige barmhartigheid. Ben je in nood, in de nood van je zonden, Hij is er met zijn barmhartigheid voor jou. Het enige, heilvolle antwoord waarop wij wachten. Beginnen wij dan eerst onze schuld voor God te belijden.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes
In die tijd zei Jezus tot de Joden:
Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u,
als iemand mijn woord onderhoudt
zal hij in eeuwigheid de dood niet zien.
Toen zeiden de Joden Hem:
Nu weten wij zeker dat Gij van de duivel bezeten zijt.
Want Abraham en de profeten zijn gestorven, terwijl Gij beweert:
Als iemand mijn woord onderhoudt
zal hij in eeuwigheid de dood niet smaken.
Zijt Gij soms groter dan onze vader Abraham
die wel gestorven is?
Zelfs de profeten zijn gestorven. Voor wie houdt Gij Uzelf wel?
Jezus antwoordde:
Als Ik Mijzelf verheerlijk
dan is mijn glorie niets;
maar mijn Vader is het die Mij verheerlijkt,
van wie gij zegt: Hij is onze God. Toch kent gij Hem niet.
Ik daarentegen ken Hem
en als Ik zou zeggen dat Ik Hem niet ken
zou Ik aan u gelijk zijn: een leugenaar.
Maar Ik ken Hem en onderhoud zijn woord.
Abraham, uw vader juichte van vreugde
bij de gedachte dat hij mijn dag zou zien:
hij heeft hem gezien en zich verheugd.
Toen zeiden de Joden tot Hem:
Gij zijt nog geen vijftig jaar en Gij hebt Abraham gezien?
Jezus antwoordde hun:
Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: vóór Abraham werd ben Ik.
Toen raapten zij stenen op om Hem te stenigen
maar Jezus trok Zich terug en verliet de tempel.
Homilie
Zijt Gij soms groter dan onze vader Abraham?" Abraham is de grootste, de eerste, de eerste gelovige en daarom ook de vader van alle gelovigen. Dat woord 'vader' staat zelfs in zijn naam: Abraham. Daar zit iets in van 'Abba'. En dat Abram voortaan Abraham zou heten, heeft als reden dat in 'aham', het woord 'hamon' zit, dat 'menigte' betekent. Hij is de vader van een menigte volkeren, van ons allemaal. Zoals wij hier bijeen zijn, is Abraham nog steeds onze vader. Dat horen wij nog altijd in het eerste eucharistische gebed: 'het offer van Abraham, die onze vader is.'
Van Abraham leidden de Joden hun oorsprong af en allemaal zijn wij kinderen van het verbond dat God sloot met Abraham en zijn nakomelingen: "Ik zal uw God zijn en de God van uw nakomelingen." Wij krijgen dus deel aan het verbond met God, doordat we deel uitmaken van het volk dat Abraham als vader heeft. 'Onze vader Abraham,' zeggen de Joden. Daar klinkt iets in van trots, maar ook van geloofszekerheid, zoals mensen er trots op kunnen zijn en een veilig gevoel kunnen hebben omdat ze tot de Kerk behoren, van de Kerk mogen zijn, onze moeder de heilige Kerk.
Groot is Abraham, maar Jezus heeft een andere Vader. Zoals Hij tegenover Maria en Jozef verklaarde: "Wist ge niet dat Ik in het huis van mijn Vader moest zijn?" (Lc 2,49). En tot Maria Magdalena bij het graf zei Hij: "Houd Mij niet vast
Ik stijg op naar mijn Vader en uw Vader" (Joh 20,17). Door zo te spreken, stelt Jezus Zich inderdaad boven Abraham. Dat betekent eigenlijk: boven de Schrift, boven de geschiedenis. "Vóór Abraham werd ben Ik." Hij staat aan de andere kant, want 'Ik ben' is de naam van God.
Daarom moeten wij naar de Schriften luisteren als naar het boek van God. Wat je er in hoort, wat je erin ziet, wat je erin beleeft, waar het om gaat in de verhalen van de Schrift, gaat er ver boven uit. Het verwijst naar een goddelijke oorsprong buiten zichzelf, naar een goddelijk adres. Je leest de Schrift pas goed als je niet stilstaat bij wat je hoort en ziet. Steeds er boven uit, zoals Jezus dat ook beklemtoont van zijn eigen Persoon: "Als Ik Mijzelf verheerlijk dan is mijn glorie niets; (uit mijzelf ben Ik niets), het is de Vader die Mij verheerlijkt. Ik ken Hem. Als Ik zou zeggen dat Ik Hem niet ken, ben Ik een leugenaar. Maar Ik ken Hem en onderhoud zijn woord." Vanuit de Vader ben Ik wat Ik ben en vanuit Mijzelf ben Ik niets. Precies zoals een kind het kind is van zijn vader, uit zichzelf is het niets. Heel Jezus' wezen, heel zijn bestaan, is ontleend aan de Vader.
Zo zijn ook de woorden van de heilige Schrift uit zichzelf niets. Daar raak je op uitgekeken, op uitgelezen. Maar ze verwijzen naar iets boven zichzelf. Maar als je dan daarop je aandacht moet richten, waarom kun je dan de woorden van de Schrift niet weglaten, waarom kun je niet zonder de Schrift bidden, als het toch gaat om wat niet in die woorden van de Schrift te vatten is? En toch, als je zonder de Schrift zou bidden, zou je iets missen. Want in de woorden van de Schrift maak je niet alleen het zoeken van de mens mee, maar ook hoe, onafhankelijk van het zoeken van de mens naar God, God naar de mens zoekt en Zich aan hem meedeelt. De eerste in het verbond is Hij en dat is verder zijn Naam: Ik ben die is, hetgeen betekent: Ik ben genadig, medelijdend, barmhartig, eindeloos geduldige liefde. Ik ben er voor u. Ik ben Jahweh, de God die u uit het slavenhuis van Egypte heb bevrijd.
Dat komt Hij dus in uw leven zeggen. Bent u moedeloos, ziet u het niet meer zitten, bent u over uzelf heen gebogen, bent u uitgekeken op de menselijke mogelijkheden in uzelf en er buiten? Vrees niet, houd moed, Ik ben. Ben je bang, is je ziel samengeknepen door angst? Vrees niet, Ik ben het. Komen er golven van tegenslag over je heen en houdt het maar niet op, dan klinkt er een geruststellend: Ik ben er. Petrus begon te zinken toen hij de golven zag en de wind. Jezus greep hem vast. Hoe heb je kunnen twijfelen? Ik ben het toch. Dat zegt Hij en dat zegt Hij steeds in uw leven.
Al de verhalen van de Schrift dienen ervoor om u, in die veelheid, een aanbod te geven waaruit u, in uw situatie, uw nood van het ogenblik, kunt uitzoeken, opdat u daarin, via de heilige Schrift, kunt meemaken dat Hij nu voor u zijn Naam wil waarmaken, er nu voor u wil zijn.
Hij zegt het in de verkondiging van het woord, en Hij gaat door met de verkondiging in de taal van zijn Lichaam. Hij gaat het u nog eens anders zeggen, met de daad, met zijn leven. "Dit is mijn Lichaam voor u." En dan zou eigenlijk ieder van u zijn nood moeten invullen en zijn naam, opdat Jezus, opdat God, er in Jezus met heel zijn leven nu voor u is, op dit ogenblik, in uw nood.