Donderdag in de vijfde week
  van de Veertigdagentijd
Eerste lezing: Genesis 17,3-9 [I 150]
Evangelie: Johannes 8,51-59 [I 151]


Inleiding  

Het is fijn om te zingen: 'Gij bergt de bron des levens.' Het is fijn om te horen: 'In uw licht zien wij licht.' Maar begrijpen wij wel wat we zeggen, wat we zingen? De bron van het leven. Goed, dat nemen we aan, maar wat dan met: 'In Uw licht zien wij licht'? Je zou zeggen: het is eerder andersom. In het licht dat we zien, kunnen we doordringen naar het licht dat we niet zien. Maar hier is het omgekeerd. In het licht dat wij niet zien, zien wij licht. En zo is het ook. Het is God die begint en het is God die ons leven mogelijk maakt. Het is God die ons de rechte weg van het menszijn doet bewandelen. Wij zijn niet uit onszelf. We zijn van Hem en onze ogen moeten eerst verlicht worden door Zijn licht, willen wij iets zien van deze wereld, van de geschapen wereld. Hij geeft Zich aan ons, Hij roept ons bij onze naam tot het bestaan. En wij roepen terug tot Hem en geven antwoord. Dat is het ritme van de liturgie.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes

In die tijd zei Jezus tot de Joden:
“Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u,
als iemand mijn woord onderhoudt
zal hij in eeuwigheid de dood niet zien.”
Toen zeiden de Joden Hem:
“Nu weten wij zeker dat Gij van de duivel bezeten zijt.
Want Abraham en de profeten zijn gestorven, terwijl Gij beweert:
Als iemand mijn woord onderhoudt
zal hij in eeuwigheid de dood niet smaken.
Zijt Gij soms groter dan onze vader Abraham
die wel gestorven is?
Zelfs de profeten zijn gestorven. Voor wie houdt Gij Uzelf wel?”
Jezus antwoordde:
“Als Ik Mijzelf verheerlijk
dan is mijn glorie niets;
maar mijn Vader is het die Mij verheerlijkt,
van wie gij zegt: Hij is onze God. Toch kent gij Hem niet.
Ik daarentegen ken Hem
en als Ik zou zeggen dat Ik Hem niet ken
zou Ik aan u gelijk zijn: een leugenaar.
Maar Ik ken Hem en onderhoud zijn woord.
Abraham, uw vader juichte van vreugde
bij de gedachte dat hij mijn dag zou zien:
hij heeft hem gezien en zich verheugd.”
Toen zeiden de Joden tot Hem:
“Gij zijt nog geen vijftig jaar en Gij hebt Abraham gezien?”
Jezus antwoordde hun:
“Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: vóór Abraham werd ben Ik.”
Toen raapten zij stenen op om Hem te stenigen
maar Jezus trok Zich terug en verliet de tempel.

Homilie    

“Zijt Gij soms groter dan onze vader Abraham?"
Abraham is de grootste, de eerste, de eerste gelovige en daarom ook de vader van alle gelovigen. Dat woord 'vader' staat zelfs in zijn naam: Abraham. Daar zit iets in van 'Abba'. En dat Abram voortaan Abraham zou heten, heeft als reden dat in 'aham', het woord 'hamon' zit, dat 'menigte' betekent. Hij is de vader van een menigte volkeren, van ons allemaal. Zoals wij hier bijeen zijn, is vader Abraham nog steeds onze vader. Dat horen wij nog altijd in het eerste eucharistische gebed: 'het offer van Abraham, die onze vader is.'

Van Abraham leidden de Joden hun oorsprong af en wij allemaal zijn kinderen van het verbond dat God sloot met Abrahams nakomelingen: "Ik zal uw God zijn en de God van uw nakomelingen." Wij krijgen dus deel aan het verbond met God, doordat we deel uitmaken van het volk dat Abraham als vader heeft. "Onze vader Abraham," zeggen de Joden. Daar klinkt iets in van trots, maar ook van geloofszekerheid, zoals mensen er trots op kunnen zijn, een veilig gevoel kunnen hebben, dat ze tot de Kerk behoren, van de Kerk mogen zijn. Onze moeder de heilige Kerk.

Groot is Abraham, maar Jezus heeft een andere Vader. Zoals Hij tegenover Maria en Jozef verklaarde: "Wist ge niet dat Ik in het huis van mijn Vader moest zijn?” (Lc 2,49). En tot Maria Magdalena bij het graf zei Hij: “Houd Mij niet vast … Ik stijg op naar mijn Vader en uw Vader” (Joh 20,17). Door zo te spreken, stelt Jezus Zich inderdaad boven Abraham. Dat betekent eigenlijk: boven de Schrift, boven de geschiedenis. “Vóór Abraham werd ben Ik." Hij staat aan de andere kant, want 'Ik ben' is de naam van God.

Daarom moeten wij naar de Schriften luisteren als naar het boek van God. Wat je er ook in hoort, wat je erin ziet, wat je erin beleeft, waar het om gaat in de verhalen van de Schrift, gaat er ver boven uit. Het verwijst naar een goddelijke oorsprong buiten zichzelf, naar een goddelijk adres. Je leest de Schrift pas goed als je niet stilstaat bij wat je hoort en ziet, maar steeds er boven uit, zoals Jezus dat ook beklemtoont van zijn eigen Persoon: "Als Ik Mijzelf verheerlijk dan is mijn glorie niets; (uit mijzelf ben Ik niets), het is de Vader die Mij verheerlijkt. Ik ken Hem. Als Ik zou zeggen dat Ik Hem niet ken, ben Ik een leugenaar. Maar Ik ken Hem en onderhoud zijn woord." Vanuit de Vader ben Ik wat Ik ben en vanuit Mijzelf ben Ik niets. Precies zoals een kind het kind is van zijn vader, uit zichzelf is het niets. Heel Jezus' wezen, heel zijn bestaan, is ontleend aan de Vader.

Zo zijn ook de woorden van de heilige Schrift uit zichzelf niets. Daar raak je op uitgekeken, op uitgelezen. Ze verwijzen naar iets boven zichzelf. Maar als je dan daarop je aandacht moet richten, waarom kun je dan de woorden van de Schrift niet weglaten, waarom kun je niet zonder de Schrift bidden, als het toch gaat om datgene wat niet in die woorden van de Schrift te vatten is? Als je zonder de Schrift zou bidden, dan zou je iets missen. Want in de woorden van de Schrift maak je niet alleen het zoeken van de mens mee, maar ook hoe - onafhankelijk van het zoeken van de mens naar God, - God naar de mens zoekt en Zich aan hem meedeelt. De eerste in het verbond is Hij en dat is verder zijn Naam: Ik ben die is, hetgeen betekent: Ik ben genadig, medelijdend, barmhartig, eindeloos geduldige liefde. Ik ben er voor u. Ik ben Jahweh, de God die u uit het slavenhuis van Egypte heb bevrijd.

Dat komt Hij dus in uw leven zeggen. Bent u moedeloos, ziet u het niet meer zitten, bent u over uzelf heen gebogen, bent u uitgekeken op de menselijke mogelijkheden in uzelf en er buiten? Vrees niet, houd moed, Ik ben. Ben je bang, is je ziel samengeknepen door angst? Vrees niet, Ik ben het. Komen er golven van tegenslag over je heen en houdt het maar niet op, dan klinkt er een geruststellend: Ik ben er. Petrus begon te zinken toen hij de golven zag en de wind. Jezus greep hem vast. Hoe heb je kunnen twijfelen? Ik ben het toch. Dat zegt Hij en dat zegt Hij steeds in uw leven.

Al de verhalen van de Schrift dienen ervoor om in die veelheid een aanbod te geven waaruit u, in uw situatie, uw nood van het ogenblik, kunt uitzoeken, opdat u daarin, via de heilige Schrift, kunt meemaken dat Hij nu voor u zijn Naam wil waarmaken, er nu voor u wil zijn.
Hij zegt het in de verkondiging van het woord, en Hij gaat door met de verkondiging in de taal van zijn Lichaam. Hij gaat het u nog eens anders zeggen, met de daad, met zijn leven. Dit is mijn Lichaam voor u. En dan zou eigenlijk ieder van u zijn nood moeten invullen en zijn naam, opdat Jezus, opdat God, er nu in Jezus met heel zijn leven nu voor u is, op dit ogenblik, in uw nood.