Eerste lezing: Daniël 3,14-20.91-92.95 [I 148]
Evangelie: Johannes 8,31-42 [I 149]
Inleiding
'Lam Gods, Gij wildet sterven', zongen we in het intredelied. Dat is een keuze, een keuze niet om zelfmoord te plegen, maar om het bestaan van de zonden op Zich nemen. De mens heeft nooit gekozen om geboren te worden, hij wérd gekozen, hij werd in het bestaan geroepen. Maar Jezus heeft wel zelf gekozen om te sterven, en wel een sterven als een derven van Vaders liefde, als het loon van de zonde, los van God. Wat Hij als Zoon van God niet kán willen, heeft Hij uit liefde voor ons wel gewild. In eindeloze pijn! Want dat was de eigenlijke pijn van zijn sterven: de verscheurdheid, het losgescheurd worden van zijn Vaders liefde.
Aan dát geheim mogen wij nu deelnemen als wij eucharistie vieren: onze eigen zondigheid voegen in Jezus' keuze voor het zondige bestaan. Met Hem de verscheurdheid meemaken in ons eigen wezen en zo daarvan verlost worden.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes
In die tijd zei Jezus tot de Joden die in Hem geloofden:
Indien gij trouw blijft aan mijn woord
zijt gij waarlijk mijn leerlingen.
Dan zult ge de waarheid kennen
en de waarheid zal u vrij maken.
Men wierp op:
Wij zijn van Abrahams geslacht
en nooit iemands slaaf geweest.
Hoe kunt Gij dan zeggen: gij zult vrij worden?
Jezus antwoordde hun:
Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u:
al wie zonde doet
is slaaf van de zonde,
en de slaaf blijft niet voor eeuwig in het huis.
Wie eeuwig in het huis blijft is de Zoon.
Als de Zoon u vrij maakt zult gij werkelijk vrij zijn.
Ik weet dat gij van Abrahams geslacht zijt;
niettemin zoekt gij Mij te doden
omdat mijn woord bij u geen ingang vindt.
Ik verkondig wat Ik bij de Vader heb gezien,
maar gij doet wat gij van uw vader gehoord hebt.
Zij antwoordden Hem:
Onze vader is Abraham.
Daarop zei Jezus hun:
Als gij kinderen van Abraham zijt
doet dan ook de werken van Abraham.
Thans echter zoekt gij Mij, een mens te doden
terwijl Ik u de waarheid heb gezegd
die Ik van God heb gehoord.
Zoiets deed Abraham niet.
Gij doet de werken van uw vader.
Zij zeiden Hem:
Wij zijn niet uit ontucht geboren;
één vader hebben wij en dat is God.
Jezus zei hun:
Als God uw vader was, zoudt gij Mij beminnen,
want van God ben Ik uitgegaan
en van Godswege ben Ik hier.
Neen, Ik ben niet uit Mijzelf gekomen
maar Hij heeft Mij gezonden.
Homilie
Indien gij trouw blijft aan mijn woord zijt gij waarlijk mijn leerlingen. Dan zult gij de waarheid kennen en de waarheid zal u vrij maken." Maar we zijn toch al vrij, roepen de Joden. "We zijn van Abrahams geslacht en nooit iemands slaaf geweest. Hoe kunt gij dan zeggen: ge zult vrij worden?"
Ook wij leven in een vrij, democratisch geregeerd land en wij hangen bevrijdende overtuigingen aan. We zijn geëmancipeerd. Wij zíjn vrij en laten anderen vrij. En door onze rijkdom zijn wij ook nog eens vrijer dan ooit enig ander volk in enig ander land geweest is. Hoe zouden wíj dan vrij moeten worden? En dan nog wel vrij worden door trouw te zijn aan het woord van Jezus, door zijn leerlingen te worden, door de Kerk aan te hangen, door te doen wat de Kerk leert en zegt hoe je moet leven!?
Jezus corrigeert ons vrijheidsbegrip. Net zoals Paulus, die ook al te doen had met het verkeerde begrip van 'vrijheid' zoals de Korintiërs dat verstonden. Ze hadden van hem gehoord: "alles is mij geoorloofd (1 Kor 6,12), dus we zijn vrij. Jawel, zegt Paulus, Alles is mij geoorloofd, maar niet alles is goed voor mij (1 Kor 6,12). Alles staat mij vrij, roepen de Korintiërs Paulus na, jawel, maar ik moet mij door niets laten knechten (1 Kor 6,12). Broeders, zegt sint Paulus, gij werd geroepen tot vrijheid. Alleen, misbruik de vrijheid niet als voorwendsel van de zelfzucht" (Gal 5,13).
Nu, vrijheid misbruiken als voorwendsel van de zelfzucht, om jezelf te zoeken, dat is in de welvaartslanden op grote schaal gebeurd, het is een maatschappelijke trend geworden. "Ik bedoel dit
. Nu geeft Paulus de weg aan. Ik bedoel dit: leef naar de Geest, dan zult ge de begeerte van de zelfzucht niet volvoeren. Dan zult ge, met andere woorden, de zelfzucht niet nalopen, want de zelfzucht begeert tegen de Geest en de Geest tegen de zelfzucht, want ze zijn elkanders tegenstanders (Gal 5,16.17), ze gaan in tegengestelde richting, zodat ge niet doet wat ge zoudt willen doen. Maar als ge u door de Geest laat leiden, staat ge niet onder de wet" (Gal 5,18).
Zoals sint Paulus het ziet, is elke mens heel diep in zichzelf, in de diepere lagen van zijn wezen, gevangen in zijn eigen 'ik', in de kerker van zijn eigen 'ik'. Dat is het gevolg van de zondeval. Door de zondeval hebben de mensen, de schepselen, zich van God afgekeerd en daardoor vallen ze uit God weg, een eindeloze leegte tegemoet. Zo lang ze nog leven, kunnen ze zich vastgrijpen aan de schepselen, aan zichzelf. Dus heel die kramp die we bij de mensen constateren, om zich vast te grijpen aan zichzelf, komt voort uit de zonde. Niet meer door God aan het niets onttrokken, door de Geest die zweefde boven de wateren toen God de hemel en de aarde ging scheppen, moeten zij aan zichzelf vastgrijpen om niet het niets tegemoet te vallen.
Er ligt een geweldige kramp over heel de schepping. Alleen al het atoom is met een onvoorstelbare energie op zichzelf geconcentreerd. En we weten wat een energie er loskomt als je dat atoom splitst, splijt, losmaakt van zijn kern. Ook in het dierenrijk zie je hetzelfde; hoe alles draait om het in stand houden van de soort en hoe daarbij de enkelingen worden opgeofferd. Daar is het een strijd op leven en dood, waarbij de sterkste exemplaren overleven, ten koste van de zwakkere. Bij de mens is het al niet anders. De mens is zelfzuchtig. Dat is hem tot een tweede natuur geworden. Ik, ik, ik. Hij leeft niet persoonlijk als persoon, hij leeft niet voor de ander, hij leeft voor zichzelf, en dat uit zich dan weer in allerlei vormen van zelfzucht: hebzucht, drankzucht, genotzucht, eerzucht, geldzucht, prestatiezucht, noem maar op.
Voor de mens is er maar één weg om daaraan te ontkomen en dat is door de dood. Ze zeggen wel eens: de zelfzucht sterft een kwartier na je dood. Dat wil zeggen: daar kom je dus nooit vanaf. Maar door de dood kom je er wel vanaf. De dood is het eindpunt van de zonde en ook het eindpunt van de zelfzucht, maar het is tevens het keerpunt. Los van jezelf, los van je lichaam waarin de zelfzucht zich heeft verschanst, kan een nieuwe vrije keuze gemaakt worden vóór of tegen God; voor jezelf en tégen God, of tegen jezelf en vóór God.
Los van allerlei vormen van dwang, van bepaaldheid, milieu, erfelijkheid, omstandigheden is de mens bij zijn dood vrij om vóór of tegen God te kiezen. En hij zal dan kiezen waarvoor hij in zijn geest al eerder gekozen had, maar wat een keuze was die hij door de omstandigheden nooit helemaal heeft kunnen doorzetten, noch de keuze vóór God noch de keuze tégen God. Maar bij zijn dood kan hij kiezen, dan is hij helemaal vrij, helemaal los.
Dus zolang de mens nog in zijn lichaam is, is hij nooit echt helemaal vrij, kan hij nooit helemaal kiezen waarvoor hij in zijn geest heeft besloten. Dat kunnen de heiligen niet en dat kunnen de zondaars niet. De zondaars kunnen daarom door de omstandigheden nooit helemaal zondigen, en de heiligen kunnen dus door de omstandigheden ook nooit helemaal heilig zijn.
Maar nu mogen wij in de heilige eucharistie deelnemen aan Jezus' sterven aan de zonde, doordat we nu al deel kunnen nemen aan zijn goddelijke vrijheid. We sterven af aan het lichaam van de dood, van de zelfzucht, en laten ons samen met Hem opnemen in zijn sterven ten leven, om zo vrij te zijn om te kiezen voor God en voor God alleen.