Heilige Jozef
(eigen lezingen)
(verplaatst van 19 maart)
Eerste lezing: 2 Samuël 7,4-5a.12-14a.16 [IV 15]
Tweede lezing: Romeinen 4,13.16-18.22 [IV 16]
Evangelie: Matteüs 1,16.18-21.24a [IV 91]
Inleiding
Op 19 maart (verplaatst naar vandaag) vieren we het tweede feest van sint Jozef. Op het feest van het heilig huisgezin (1e zondag na Kerstmis) moet Jozef de aandacht delen met Maria en het Kind. Met name het Kind staat stralend in het middelpunt. Jozef blijft dus een beetje op de achtergrond. Maar nu is het Jozef alleen. Hij staat in het stralende middelpunt van de devotie van de Kerk en hij is ook nog eens patroon of beschermer van dit Instituut.
Daar zit de volgende nuchtere redenering achter: God de Vader heeft aan hem, Jozef, zijn eigen Zoon toevertrouwd en de zusters van dit Instituut worden, net als hij, ertoe geroepen de Zoon van God onderdak te verschaffen. Ze zijn dus geroepen zoveel als sint Jozef te zijn in de tijd ná Jezus' aardse leven. Er is geen betere patroon denkbaar. Als je toch op zoek bent naar een beschermheer, dan zeker de man die het als eerste zelf gedaan heeft.
Overigens heb je daar wel een hemelse Beschermheer voor nodig, want de Gast, de Huisbewoner is soms zoek en dan vraagt het een hemels geduld en vooral een geloof in de hemel, in Gods beschermende aanwezigheid, om Hem terug te vinden. Dat is bij u natuurlijk ook wel eens het geval is. Soms is Hij weg. Hij is er nog wel, sacramenteel, maar soms is Hij weg in je gevoel en dan moet je Hem opnieuw zoeken en terugvinden van bij de Vader. Dáár moet je Hem zoeken, niet bij familieleden en bekenden, zoals Jozef samen met Maria deed.
Belijden wij dan eerst onze schuld, dat we zo tekort schieten in vertrouwen, waarin Jozef zo groot was, én dat we tekort schoten in geduld wanneer het er op aan kwam Jezus opnieuw te zoeken.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs
Jakob was de vader van Jozef, de man van Maria,
en uit haar werd geboren Jezus die Christus genoemd wordt.
De geboorte van Jezus Christus vond plaats op deze wijze.
Toen zijn moeder Maria verloofd was met Jozef,
bleek zij voordat ze gingen samenwonen
zwanger van de heilige Geest.
Omdat Jozef, haar man, rechtschapen was
en haar niet in opspraak wilde brengen,
dacht hij er over in stilte van haar te scheiden.
Terwijl hij dit overwoog, verscheen hem in een droom
een engel van de Heer die tot hem sprak:
Jozef, zoon van David, wees niet bevreesd Maria, uw vrouw,
tot u te nemen; het kind in haar schoot is van de heilige Geest.
Ze zal een zoon ter wereld brengen die gij Jezus moet noemen,
want Hij zal zijn volk redden uit hun zonden.
Ontwaakt uit de slaap deed Jozef
zoals de engel van de Heer hem bevolen had.
Homilie
Jozef is de vader van Jezus. God de Vader, de hemelse Vader, heeft hem aangesteld om zijn plaats in te nemen op aarde, om voor Jezus de vader op aarde te zijn. Hoe doet Jozef dat nu? En hier in de communiteit bent u (zusters van priorij Nazaret) bezig met hetzelfde als sint Jozef. Aan hem heeft God de Vader zijn eigen Zoon toevertrouwd. En u, zusters, bent ertoe geroepen hetzelfde te doen, zich de Zoon van de eeuwige Vader te laten toevertrouwen.
Hoe oefent de hemelse Vader zijn vaderschap uit? En hoe oefent u de taak van sint Jozef uit? Wat doet u daarvoor? Hoe is de hemelse Vader Vader? Allereerst door er te zijn, aanwezig te zijn, bij zijn volk te zijn, zoals een vader in het gezin. Aan de grondslag van wat Hij doet, staat dat Hij er is. "Als ik nu bij de Israëlieten kom en hun zeg: de God van uw vaderen zendt mij tot u en zij vragen: Hoe is zijn naam? wat moet ik dan antwoorden? Toen sprak God tot Mozes: Ik ben die is. Dit moet ge de Israëlieten zeggen: Hij is, zendt mij tot u. Jahweh, de God van uw vaderen, de God van Abraham, de God van Isaäk, de God van Jakob zendt mij tot u. Dit is mijn Naam voor altijd" (Ex 3,13-16). De grote Aanwezige is bij zijn volk, en bij iedere enkeling. God is bij ieder van ons persoonlijk aanwezig. Het volk van Israël uit het Oude Verbond heeft alleen al zijn aanwezigheid ervaren als de grote, de eigenlijke genade.
Kinderen komen van school thuis, ze merken dat moeder er niet is en ze vragen vader: 'waar is mam?' Als vader antwoordt: 'mam is boven met de was bezig het naaien', dan is het goed. Als ze er maar is! Moeders en vaders kunnen ook afwezig zijn, terwijl ze lijfelijk toch aanwezig zijn. Als ze er voor zichzelf zijn, op zichzelf betrokken, als ze bezig zijn altijd zichzelf te bevestigen, op hun strepen te staan, hun gezag uit te oefenen, op te gaan in hun zorgen, in de dingen, niet luisteren naar hun kinderen, dan zijn ze er wel, maar de wijze van zijn is een ontkenning van hun plaatselijke, lijfelijke aanwezigheid.
God is onzelfzuchtig, Hij is er helemaal voor zijn volk. Dat is zijn naam, dat is zijn wezen, zo wil Hij gekend worden, zo wil Hij worden aangesproken. Zijn wezen is betrokkenheid, betrokkenheid op zijn volk, op het wel en wee van zijn volk. "Ik heb het schreien van mijn volk in Egypte gehoord" (Ex 3,7). Hun schreien en hulpgeroep is tot Mij doorgedrongen, "Ik ken zijn lijden, Ik weet ervan. Het gaat Mij ter harte en Ik ga er wat aan doen, maar als eerste zegt Hij: Het doet Mij wat. Het raakt Me. God is betrokken, Hij is één en al betrokkenheid. Dat drukt sint Jan uit als hij zegt: God is liefde" (1 Joh 4,8).
Dat is echter een woord dat je zo gemakkelijk in de mond neemt dat je je niet meer realiseert wat het eigenlijk betekent. Je zou kunnen zeggen: God is betrokkenheid, God is relatie, God is contact, God is communicatie. Hij is één en al zorg. Hij is een geëngageerde Aanwezigheid, Hij is geëngageerd aanwezig. Hij is een bloedwarme presentie, zoals Hij hier aanwezig is. Hij doet niets. Hij kijkt niet op of om, Hij spreekt niet, Hij beweegt niet, Hij is levenloos als een ding, ja als een lijk. Er gaat geen leven van uit. Ja, toch wel, Hij geeft zijn leven. Zijn dood is een sterven voor ons. Het is een aanwezigheid voor ons tot en met de dood. Het kost Hem zijn dood.
Jozef was zijn vader. Hij was er, hij wás er niet alleen maar, nee, hij was er voor Hem. Hij oefende zijn vaderschap uit op de wijze van God de Vader, door er allereerst te zijn. Zoals hij wordt voorgesteld op zijn eerste feest, zoals we aan het begin al vermeld hebben, het feest van de heilige Familie. Dan zie je Jozef dikwijls op iconen en andere afbeeldingen met zijn mantel om Maria en het Kind heengeslagen, beschermend. Hij is er voor hen. En dat bij de ander zijn, dat is wat God doet bij de mensen en wat de mensen op hun beurt doen bij God. Dat is het antwoord van de mensen op het bij ons zijn van God. Het is méér iets in de zijnsorde dan in de doe-orde. We zijn kinderen van God en als we eenmaal in het huis van de hemelse Vader zijn, doen wij eigenlijk hetzelfde als wat u hier doet: zijn, aanwezig zijn bij de Aanwezige en genieten van zijn aanwezigheid. Dat is de gelukzalige aanschouwing. Er hoeft niets gedaan te worden, alleen maar te zijn.
En Jozef wás aanwezig. Hij was de grote aanwezige in het gezin. In onze dagen zijn vaders door hun beroep veelal afwezig. Maar in Jozefs tijd werd het beroep thuis beoefend. Hij was er dus altijd, ook wanneer hij werkte. En in dat aanwezig zijn, in dat bij elkaar zijn en dat er voor elkaar zijn, is Jozef eigenlijk de volmaakte leerling. Zoals Maria de volmaakte leerlinge is door te luisteren en te doen, te laten geschieden naar Gods woord, zo is Jozef van zijn kant de ideale leerling in het bij de mensen zijn, in het bij elkaar zijn.
Leerling zijn van Jezus dat is bij Jezus zijn. Elke keer als Jezus iets gaat zeggen - en de leerlingen zijn leerling geworden doordat ze geluisterd hebben naar zijn woord - roept Hij zijn leerlingen bij Zich en deze kwamen dan bij Hem. Ook de menigte kwam bij Hem. Grote volksmenigten sloten zich bij Jezus aan, zij kwamen bij Hem. En "Jezus ging de berg op en nadat Hij zich had neergezet, kwamen zijn leerlingen bij Hem" (Mt 5,1). Wat is dat: bij Hem? Is dat niet iets van zich begeven in de uitstraling van zijn goddelijke Persoon? Waar woorden en daden en handelingen gemakkelijk een blokkade kunnen vormen, kan door gewoon maar niets te zeggen en niets te doen, zijn aanwezigheid en zijn liefde gemakkelijker je hart binnenvloeien.
Trouwens, weet u dat zij daar ook voor werden aangesteld, dat ze daartoe waren geroepen of werden gezonden? "Jezus ging de berg op, riep zijn leerlingen bij zich en stelde er twaalf aan
" (Mc 3,13.14), en dan zou je zeggen: om wonderen te doen, of om te verkondigen, of genezingen te verrichten, of duivels uit te drijven. Ja, dat komt ook, maar er staat eerst: "Hij stelde er twaalf aan om Hem te vergezellen, om bij Hem te zijn. Zij werden geroepen om te doen wat u doet als u hier bent in zijn eucharistische aanwezigheid, en waaraan uw hele leven is toegewijd: bij Hem zijn, bij Jezus in het heilig Sacrament. Bij Jezus zijn betekent dat je bij Iemand bent die van zijn kant helemaal bij jou is, helemaal tot de dood toe. Dat drukt die eucharistische gestalte uit. Je gebed is niet zozeer een doen, een spreken, een denken, of een formuleren, maar hier, bij het uitgestelde Allerheiligste, is het een vorm van zijn, een er zijn in vertrouwen en in liefde, in aanbidding en in geloof. Daar gaat uw hele leven in op. En van daaruit kunt u dan ook handelen en spreken, denken en doen, maar altijd vanuit dat zijn, vanuit die diepte in je binnenste waarin je door de eucharistie bent omgevormd, in zijn leven bent getransformeerd.