Vrijdag in de vijfde week
 van de Veertigdagentijd
Eerste lezing: Jeremia 20,10-13 [I 152];
Evangelie: Johannes 10,31-42 [I 153]


Inleiding  

Als je die woorden hoort: 'Heer, verhoor ons bidden en smeken; redt ons toch', dan is het moeilijk dat gewoon in de vroege ochtend op jezelf te betrekken, dat wij bij het uitspreken of uitzingen van die woorden ook dat soort gevoelens zouden hebben. Maar u weet dat de psalmen, dit is een psalmvers, het beste tot hun recht komen wanneer we ze Jezus in de mond leggen. Dan wordt het een ander verhaal, dan heeft het te maken met het zelfbesef van Jezus, dan spreekt het over zijn levensgevoel, zijn bewustzijn, "die in de dagen van zijn sterfelijk leven onder luid geween en geroep, gebeden en smekingen heeft opgedragen aan God die Hem uit de dood kon redden. Om zijn vroomheid werd Hij verhoord" (He 5,7). Dat wordt gezegd van Jezus, zo bad Hij tot God. Als we dus nu eucharistie vieren, dan vieren we Jezus zoals Hij in het lijden en bij zijn sterven tot God gebeden en smekingen heeft opgedragen, om Hem onder luid geween te bezweren dat Hij Hem uit de dood zou redden; door de dood heen zou redden. "Hij werd om zijn vroomheid verhoord", Hij is door God uit de dood opgewekt. We vieren nu hetzelfde. Niet wij zijn het die het vieren, maar Jezus zelf. Wij worden in Jezus opgenomen. Door Hem en met Hem en in Hem, ons gebed tot de Vader.
Wenden wij ons nu tot God en maken wij ons bewust van ons tekort aan geloof, dat wij zozeer in ons eigen zelfbewustzijn, ons eigen zelfbesef, zijn opgenomen en niet in het zijne.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes

In die tijd raapten de Joden stenen op om Hem te stenigen.
Maar Jezus zei hun:
“Ik heb voor uw ogen veel goede werken verricht,
die uit de Vader voortkomen;
om welk van die werken wilt gij Mij stenigen?”
De Joden gaven hem ten antwoord:
“Niet om een goed werk stenigen wij U,
maar om een godslastering:
dat Gij, een mens, Uzelf tot God maakt.
Jezus antwoordde hun:
“Staat er niet in uw Wet geschreven:
Ik heb gezegd: gij zijt goden?
Zij heeft hen tot wie het woord Gods gericht werd,
goden genoemd, en de Schrift heeft bindende kracht.
Maar waarom dan beschuldigt ge Mij,
die door de Vader geheiligd en in de wereld gezonden werd,
van godslastering als Ik Mijzelf Gods Zoon noem?
Als Ik de werken van mijn Vader niet doe,
behoeft gij Mij niet te geloven, maar zo Ik ze wel doe,
gelooft dan die werken, als ge Mij niet wilt geloven.
Dan zult gij inzien en erkennen,
dat de Vader in Mij is en Ik in de Vader ben.”
Toen probeerden zij opnieuw Hem te grijpen,
maar Hij stelde Zich buiten hun bereik.
Hij ging terug naar de overkant van de Jordaan,
naar de plaats waar Johannes aanvankelijk gedoopt had,
en bleef daar.
Velen kwamen tot Hem, want ze zeiden:
“Johannes heeft weliswaar geen enkel teken gedaan,
maar alles wat hij over deze man zei, was waar.”
En velen begonnen daar in hem te geloven.

Homilie  

“Dan zult gij inzien en erkennen dat de Vader in Mij is en Ik in de Vader ben."
Dan zullen wij inzien dat het tussen de Vader en Jezus is, zoals Jezus zegt, dat het tussen Hem en ons is. "Blijft in Mij en Ik blijf in u" (Joh 17,21). Hoe moeten we ons dat nu voorstellen? De Vader in Jezus en Jezus in de Vader; Jezus in ons en wij in Jezus? Wij hebben allerlei afbeeldingen van wat we ons daarbij moeten voorstellen. Op de afbeeldingen van het Laatste Avondmaal, fresco's, schilderingen, beeldhouwwerken, vanaf de vroege Middeleeuwen tot diep in de nieuwe tijd toe, wordt de door Jezus beminde leerling voorgesteld als heel dicht tegen Jezus aan liggend. "Een van de leerlingen, degene die door Jezus bemind werd, lag dicht tegen Jezus aan. En Simon Petrus gaf hem een teken en vroeg hem: wie bedoelt Hij? Toen leunde deze tegen Jezus borst en zei tot Hem: Heer, wie is het?" (Joh 13,23-25) Dat moment werd eeuwenlang op alle voorstellingen van het Laatste Avondmaal afgebeeld. De door Jezus beminde leerling naast Jezus, of bijna in Jezus, en Jezus in hem. De minnende en de beminde, in elkaar. Dat 'in Mij zijn' en 'in u zijn', is dus een in elkaar zijn door de liefde. Als Jezus iets uit liefde, uit medelijdende liefde doet of zegt, staat er een woord dat innigheid betekent, vanuit het diepst van zijn binnenste. Dat is wat er gezegd wordt in dat: 'in Mij zijn' en 'in u zijn', dat wij worden opgenomen in het binnenste van Jezus, in zijn hart.

Op welk moment liet Jezus de door Hem beminde leerling de diepste roerselen van zijn hart kennen? In welke situatie? Niet op het moment dat Hij gevoelens van medelijden heeft met de menigte, niet op het moment dat Hij de menigte spijzigde, zelfs niet op het moment dat Hij zijn Lichaam en Bloed gaf, maar op het moment dat Jezus Zich het verraad door Judas bewust maakte. Toen, zoals er staat, de satan in Judas voer. Want Jezus antwoordde op de vraag: 'wie is het?' met de woorden: "Hij is het aan wie Ik het stuk brood zal geven dat Ik ga indopen. En na het stuk brood te hebben ingedoopt reikte Hij het toe aan Judas Iskariot. Toen hij dit had aangenomen voer de satan in hem" (Joh 13,26-27). Toen Jezus voor de afgrond van het kwaad stond, het kwaad schouwde in zijn bovenmenselijke dimensies, toen liet Hij aan de door Hem beminde leerling zijn innerlijk zien, de diepste roerselen van zijn hart. Een liefde die sterker is dan de haat. Toen de afgrond van het kwaad zich voor Hem opende, opende zich in Jezus een afgrond van liefde. En dat mocht de door Jezus beminde leerling zien. Hij mocht in die afgrond kijken.
Hij wel en de anderen niet? De door Jezus beminde leerling heeft geen naam. De bedoeling daarvan is dat allen die het lezen en Jezus volgen, zich met die beminde leerling zouden identificeren, hun eigen naam zouden invullen. Het staat dus in het evangelie opdat het aan iedere mens wordt gezegd, aan iedere enkeling wordt geopenbaard. Jezus heeft voor elke mens zo'n unieke liefde. Het evangelie noemt dat: vriendschapsliefde. Een uitverkiezing voor deze ene, niet omdat hij dit of dat heeft, of dat kan of kent, maar omdat hij deze ene is, deze persoon. Zo houdt Jezus van ieder van ons, zoals Hij van de Vader houdt en de Vader van Hem.

Als de profeet Jeremia, zoals we dat in de eerste lezing hebben gehoord, door iedereen wordt verlaten, verraden, ook door zijn vrienden: "al mijn vrienden willen niets liever dan mij ten val brengen”, dan weet hij, zo heeft u gehoord: “God, de Heer, is bij mij als een machtig strijder.” Dat is nog in de derde persoon. God, Hij, maar die 'Hij' verandert in de volgende zin in een 'Gij', in 'U': “God van de hemelse machten, die alles rechtvaardig onderzoekt, die hart en nieren doorgrondt, laat mij zien hoe Gij U op hen wreekt. Ik heb immers mijn zaak in uw handen gelegd.” Het gebeurt voor je ogen, het gebeurt op dat moment. Wat er dan gebeurt is wat Jezus heeft zien gebeuren toen Hij “onder luid geroep en geween smekingen en gebeden heeft opgezonden naar zijn Vader, die Hem uit de dood kon redden. Hij werd om zijn vroomheid verhoord (He 5,7). De psalm van smeking verandert in een psalm van redding en bevrijding. Een lofpsalm, een loflied. “Zing een lied, een loflied voor de Heer uw God, want Hij heeft het leven van de arme uit de macht van de boosdoeners gered." Jezus was zeker van de verhoring van zijn gebed en in die zin was Hij al opgewekt door zijn Vader vóórdat de dood toesloeg. Ziet u, de gelovige is in God en God is in de gelovige. Die twee zijn in elkaar, zoals we, als we straks te communie gaan, als werkelijk sacramenteel mogen ondervinden.