Maria Boodschap - Aankondiging van de Heer
(eigen lezingen)
Eerste lezing: Jesaja 7,1-14
Tweede lezing: Hebreeën 10,4-10
Evangelie: Lucas 1,26-38
Inleiding
Negen maanden voor het hoogfeest van de geboorte van de Heer herdenken wij hoe zijn komst door de engel Gabriël werd aangekondigd en hoe op het jawoord van Maria de aarde zich via haar opende, 'aperiatur terra', en God Zich tegenwoordig stelde. Het begin: de zon hing boven de kim, nog maar nauwelijks waarneembaar, maar echt en werkelijk. Zoals het ook op de stichtingsdag van uw instituut, meer dan drie eeuwen geleden, op een ogenschijnlijk armzalige wijze begon. Het was niet veel, het kreeg nauwelijks ruimte van de officiële vertegenwoordigers van de Kerk, maar het was er al helemaal. Een begin, een veel betekenend nieuw begin van een nieuwe stichting, die het al zoveel eeuwen heeft volgehouden, door alle tijden, alle tegenslagen heen, tegen alle tegenbewegingen van de geschiedenis in. Als God iets begint, of als God het begin is, brengt Hij het ook tot een goed einde.
Dat wij voor zo veel genaden zo weinig geloof opbrengen, dat de aarde zich in ons nog zo weinig opent en wij zozeer tekort schieten voor Gods majesteit onder ons, laat ons daarover onze schuld belijden.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas
In die tijd werd de engel Gabriël van Godswege gezonden
naar een stad in Galilea, Nazareth,
tot een maagd die verloofd was met een man die Jozef heette,
uit het huis van David;
de naam van de maagd was Maria.
Hij trad bij haar binnen en sprak:
Verheug u, Begenadigde, de Heer is met u.
Zij schrok van dat woord en vroeg zich af,
wat die groet toch wel kon betekenen.
Maar de engel zei tot haar:
Vrees niet Maria, want gij hebt genade gevonden bij God.
Zie, gij zult zwanger worden en een zoon ter wereld brengen,
die gij de naam Jezus moet geven.
Hij zal groot zijn en Zoon van de Allerhoogste genoemd worden.
God de Heer zal Hem de troon van zijn vader David schenken
en Hij zal in eeuwigheid koning zijn over het huis van Jakob
en aan zijn koningschap zal nooit een einde komen.
Maria echter sprak tot de engel:
Hoe zal dit geschieden, daar ik geen man beken?
Hierop gaf de engel haar ten antwoord:
De heilige Geest zal over u komen
en de kracht van de Allerhoogste zal u overschaduwen;
daarom ook zal wat ter wereld wordt gebracht
heilig genoemd worden, Zoon van God.
Weet, dat zelfs Elisabeth, uw bloedverwante,
in haar ouderdom een zoon heeft ontvangen en,
ofschoon zij onvruchtbaar heette,
is zij nu in haar zesde maand;
want voor God is niets onmogelijk.
Nu zei Maria:
Zie de dienstmaagd des Heren; mij geschiede naar uw woord.
En de engel ging van haar heen.
Homilie
'Dauwt hemelen van omhoog, laat wolken de Gerechte neerdalen en laat uit de aarde ontkiemen de Redder, de Verlosser.'
Het is een feest van hemel en aarde. Vanuit de hemel: de engel Gabriël, van Godswege gezonden. Waarom komt God niet zelf? Hij komt wel, maar eerst verkondigt een engel wat er gebeuren zal: de vereniging van hemel en aarde in de Zoon van God zelf, in zijn Persoon. God verkondigt het niet zelf, maar door een engel te zenden wordt zijn transcendentie geopenbaard, wordt geopenbaard dat het God zelf is die in de hemel woont, in het ontoegankelijke licht, ongenaakbaar. Het heilige van het heilige. Gezonden worden: Gabriël, 'de kracht van God', of Michaël, de transcendentie van God, 'wie is als God?' of Rafaël: 'God geneest'. Ze zijn niet God zelf, maar ze zijn vervuld van God, ze leiden naar God, ze geven genezing van God, licht van God, kracht van God en uitredding in gewone menselijke omstandigheden.
De eigenlijke boodschap die ze brengen is: de hemel draagt de aarde een goed hart toe. De hemel is bekommerd om de aarde. God kent je van heel ver, want Hij is je nabij met zijn reddende engel. "De Heer is met u."
Dat is meer dan alleen maar redding brengen, bevrijding brengen: bevrijding uit Egypte, bevrijding uit de nood, uit omstandigheden van rampen, genezing van ziekten, verzadiging in honger. Als er ergens een ramp gebeurt, komen er van overal ter wereld reddingsploegen met geneesmiddelen, met voedselpakketten, naar de plaats van het onheil. Bij dit reddingbrengende gebeuren, verlichting in de nood, genezing, veiligheid, een goed heenkomen, is het bijzondere effect: men ziet naar ons om; we worden niet alleen gelaten, er zijn mensen die zich om ons bekommeren. Wat door de constellatie van onze wereld, de verregaande rijkdom en individualisering, verloren dreigt te gaan, de natuurlijke banden die de mensen hebben met de oorsprongsgemeenschappen, zoals familie, dorp, cultuur, wordt als het ware goedgemaakt door die solidariteit van heel de wereld met mensen die door rampen worden getroffen. Ze hebben het gevoel: men geeft om ons. Maar het is een komen en gaan. Het is tijdelijk, het is slechts een plaatselijk gebeuren. Even uit de nood helpen en dan gaan ze weer. Misschien komt er eens een minister kijken, of misschien zelfs iemand van het koninklijk huis, of de minister-president van een ander land, maar ook zij gaan weer weg.
Maar nu is er op de wereld een ramp gebeurd van mondiaal niveau, waarbij de geluksbronnen voor de individuele mens tot in de wortel zijn aangetast. Daar helpt geen menselijke redding meer aan. De mens heeft de wortels met de grond van zijn bestaan doorgesneden. Hij heeft de bron van het geluk toegedekt, hij heeft zich opgesloten in zijn eigen duisternis. Hij heeft God de rug toegekeerd en is zich tevreden gaan stellen met kunstlicht, met schijnlicht, met dwaallicht en ziet niet meer om naar het licht van Gods liefde. Een ramp van mondiale afmeting, een ramp tot in de grond van ons bestaan.
De mens raakt in de greep van zijn zelfzucht, en is in opstand tegen God. Hij is één en al 'neen'. Om daaraan iets te doen opent God zijn hart, geeft Hij zijn aanwezigheid. "De Heer is met u." Ik ben het zelf. Niet alleen om iets te doen. Dat doet God ook, maar Hij is er met zijn eigen persoonlijke aanwezigheid bij. "De Heer is met u." Maar dan ook echt met u, zodat u, zoals de engel tot Maria zegt, vol van genade bent. Eén en al genade. De menselijke natuur is bij Maria en bij heel het verloste menselijke geslacht, opgenomen in de heilige liefde van God. Zij is genade geworden.
God blijft niet ver. De boodschap wordt verkondigd door een engel, maar de inhoud van de boodschap is: God komt dichtbij. Niet alleen door woorden, daden, profeten, maar God komt nabij in zijn eigen Zoon, Hij wordt één van ons, Hij vereenzelvigt Zich met het bestaan van de mensen, zoals het door de zonde geworden is.
God komt, als een koning wordt Hij aangekondigd. "God de Heer zal Hem de troon van zijn vader David schenken. Hij zal de heersende macht wegsturen en in diens plaats regeren. Hij zal in eeuwigheid koning zijn over het Huis van Jakob."
Als mensen horen dat de macht wordt overgenomen, worden zij bang. Zij moeten macht uit handen geven, geprivilegieerde posities afstaan, mensen worden van hun voetstuk gestoten. Een pijnlijk gebeuren. Ook onze eigen koning 'ik' vreest die machtsovername en toch hoeven we niet bang te zijn, want Hij doet het niet met geweld, tegen onze zin, maar Hij verovert ons hart, Hij neemt onze eigen vrije wil voor Hem in, Hij brengt ons tot een vrijwillig 'ja' tegen het 'nee' van onze eigen, zondige positie. "Zie, uw Koning komt, zachtmoedig." Wees maar niet bang, Hij komt met zijn heilige Geest.
Hoe zal dit geschieden, deze machtsovername? "De heilige Geest zal over u komen en de kracht van de Allerhoogste zal u overschaduwen." Als een wolktent, zoals eertijds over het Joodse volk in de woestijn, zal de heilige Geest over u komen. Wat is dat voor een Geest? Een zachtmoedige Geest, een Geest van duldzaamheid. Hij duldt het onduldbare. Het is een Geest van zelveloosheid, die komt in de plaats van de geest van zelfzucht, in wiens greep wij zijn geraakt. Dat die Geest ook inderdaad de macht heeft overgenomen van het menselijk hart, wordt nu geopenbaard in Maria, die antwoordt: "Zie, de dienstmaagd des Heren. De kleine dienstmaagd van God die zegt: Mij geschiede naar uw Woord." Fiat, laat het maar gebeuren. Heel de mensheid is nee', maar de nieuwe mensheid, in Maria tot persoon geworden, zegt 'ja'. Laat maar gebeuren, laat God maar geschieden, laat zijn reddende aanwezigheid maar binnentreden in onze wereld en in ons hart.
Dat is eens gebeurd, maar het is sindsdien blijven gebeuren. Hoe vier je Kerstmis? Met het stalletje, met een kerstboom, met allerlei andere symbolen, maar wij vieren Kerstmis gewoon met de eucharistie. Zo vieren we Pasen met de eucharistie, zo vieren we Pinksteren met de eucharistie en zo vieren we ook vijfentwintig maart, het feest van de aankondiging van de Heer met de eucharistie. Daarin gebeurt steeds hetzelfde. Wat tweeduizend jaar geleden eenmaal gebeurde, blijft geschieden. Wij brengen onze gaven in, ons leven, en laten het door Hem transformeren in een nieuw bestaan, een nieuwe schepping. Het 'nee' wordt een 'ja', een 'ja' van zelveloze liefde.