Dinsdag in de vijfde week
     van het even jaar
Eerste lezing: 1 Koningen 8,22-23.27-30
Evangelie: Marcus 7,1-13  


Inleiding  

Wat we spreken met de mond, mag opwellen uit de grond van ons hart. De woorden waar het woord 'hart' in zit en die wij zo dikwijls gebruiken, zoals: hartelijk, van harte dank, en uit de grond van mijn hart, zijn woorden geworden waar het hart dikwijls niet bij is. De binnenkant, de innigheid van je spreken en van je handelen staat op het spel. Daar gaat het vandaag over in het evangelie en ook in de eerste lezing: 'de Naam van God zij geprezen', niet alleen in de tempel, niet alleen op een berg, niet alleen in de kapel, maar in alles wat je zegt en doet en wat je overkomt. Dat het een ontmoeting mag worden en een liefdevol en aanbiddend antwoord.
Belijden wij dan eerst onze schuld, dat wij nog zozeer aan de buitenkant leven en bidden en handelen, en zo weinig vanuit het hart verbonden met God, teneinde deze heilige Geheimen goed te kunnen vieren.
                       
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus

Eens kwamen de Farizeeën
en enkele schriftgeleerden uit Jeruzalem
bij Jezus tezamen,
en ze zagen dat sommigen van zijn leerlingen met onreine,
dat wil zeggen, ongewassen handen aten.
De Farizeeën immers en al de Joden eten niet
zonder eerst de vingertoppen gewassen te hebben,
daar ze vasthouden aan de overlevering van de voorvaderen;
komen ze van de markt, dan eten ze niet,
voordat zij zich gereinigd hebben;
zo zijn er nog vele andere dingen
waaraan ze bij overlevering vasthouden:
het afwassen van bekers, kruiken en koperen vaatwerk.
Daarom stelden de Farizeeën en de schriftgeleerden Hem de vraag:
“Waarom gedragen uw leerlingen zich niet
volgens de overlevering van de voorvaderen,
maar eten zij met onreine handen?”
Hij antwoordde hun:
“Hoe juist heeft Jesaja over u, huichelaars, geprofeteerd!
Zo toch staat er geschreven:
    Dit volk eert Mij met de lippen,
    maar hun hart is ver van Mij.
    Zij eren Mij, maar zonder zin,
    en mensenwet is wat zij leren.
Gij laat het gebod van God varen en houdt vast aan de overlevering van mensen:
kruiken en bekers afwassen en meer van dergelijke dingen doet ge.
Het is fraai, vervolgde Hij,
dat gij het gebod van God buiten werking stelt
om uw overlevering te handhaven!
Mozes heeft immers gezegd: Eer uw vader en uw moeder,
en wie zijn vader of moeder vervloekt, moet sterven.
En toch leert gij:
Als iemand tot zijn vader of moeder zegt:
alles waarmee ik u zou kunnen helpen, is korban
- dat betekent: offergave -
dan staat ge hem niet meer toe iets voor zijn vader of moeder te doen.
Zo maakt ge het woord Gods krachteloos
ten gunste van uw overlevering die gij doorgeeft.
En ge doet meer van dergelijke dingen.”

Homilie  

“De Farizeeën immers en al de Joden eten niet zonder eerst de vingertoppen gewassen te hebben."
Dat handenwassen had behalve een hygiënische betekenis ook en vooral een religieuze, zoals de handwassing van de priester in de heilige Mis. Hij doet dat niet omdat zijn vingers niet schoon zouden zijn, maar omwille van de religieuze betekenis. Hij vraagt om gerechtigheid, om reinheid van hart. Hij vraagt om een innerlijke reinheid, om de reiniging van zijn ziel, dat deze een tempel mag zijn van de heilige Geest. De gaven van God moeten immers in rein vaatwerk worden aangebracht, met reine handen en met een rein hart. Dat wordt allemaal gedaan en gezegd, omdat het er om gaat, dat God in ieder van ons met zijn heilige Geest zijn intrede kan doen. Daarom die eerste lezing, waarin Salomo zegt dat God niet woont in de tempel. Want hoe zou God in de tempel kunnen wonen, als zelfs de hemel en de aarde, en de hemel der hemelen Hem niet kunnen bevatten?

Het is echter niet God die in de tempel woont, maar de Naam van God. Zijn Naam woont er. Zijn Naam gaat rond over heel het volk. Zijn Naam is op ieders lippen. Dat betekent niet God zelf, maar wat Hij betekent voor de mensen, zijn roem, zijn glorie. God gaat daar altijd ver boven uit, Hij is de Verhevene. Wat wel onder ons kan zijn, dat is zijn Naam. God is een God van mensen, de God die zijn Naam afroept over mensen: "Ik ben de God van Abraham, van Isaak en van Jakob", zegt Hij tot Mozes (Ex 3,6). Wat is de Naam van God? Waarin wil Hij een grote Naam hebben? Dat Hij een God is van mensen! En die Naam, zijn aanwezigheid voor deze mensen, kunnen deze mensen, dit volk, dat Joodse volk, alleen maar vinden in de tempel van Jeruzalem. Daar, op die plek, heeft God Zich als de God van dit volk gevestigd. "Het heiligdom waarvan Gij gezegd hebt dat uw Naam daar zal wonen", zegt Salomo. En van daaruit, vanuit die bijzondere plaats, breidt zijn Naam, zijn aanwezigheid voor mensen met hun eigen naam, zich uit over heel het volk, over heel de geschiedenis. Heel het Joodse volk kan overnachten in de schaduw van zijn Naam. En dat alles vindt plaats in het leven van alle Joodse mensen, van heel het Joodse volk. Zij zijn opgenomen in het verbond met God, die zijn Naam laat gelden, laat heersen over heel het volk.

Maar vanaf Jezus wordt het verbond van God met het Joodse volk opengebroken naar alle volken. Dat gebeurt in Jezus, in het gesprek met de Samaritaanse vrouw met Jezus: “Onze vaderen aanbaden op die berg daar, en gij, Joden, zegt dat in Jeruzalem de plaats is waar men Hem aanbidden moet.” Waarop Jezus zei: "Geloof Mij, vrouw, er komt een uur dat gij noch op die berg noch in Jeruzalem de Naam zult aanbidden. Gij aanbidt wat gij niet kent, wij aanbidden wat wij kennen omdat het heil uit de Joden is. Maar er zal een uur komen, ja het is er al, dat de ware aanbidders de Vader zullen aanbidden in Geest en waarheid" (Joh 4,20-23). De Vader zoekt mensen die Hem zo aanbidden. God is Geest en wie Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in Geest en waarheid. Niet meer alleen op een bepaalde plaats, maar ook niet meer in een aan plaats en tijd gebonden ruimte; niet meer alleen in bepaalde vieringen, maar gebonden aan een Persoon, Iemand op deze aarde, Jezus Christus, Hij is de Messias, de door Gods Geest Gezalfde.
Daardoor kun je een ontmoeting hebben met God in elke situatie, in elk woord, in alles wat je overkomt, goed en kwaad, in sterkte en zwakheid, in vreugde en verdriet. Maar Hij vraagt van onze kant wel een antwoord in liefde en aanbidding. Je kunt alles maken tot aanbidding, want Hij wil in iedere situatie een ontmoeting hebben met ons. Dat is God in Geest en waarheid aanbidden.