Eerste lezing: 1 Koningen 11,29-32; 12,19
Evangelie: Marcus 7,31-37
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus
In die tijd vertrok Jezus uit de streek van Tyrus
en begaf Zich over Sidon naar het meer van Galilea,
midden in de streek van Dekapolis.
Men bracht een doofstomme bij Hem
en smeekte Hem dat Hij deze de hand zou opleggen.
Jezus nam hem terzijde, buiten de kring van het volk,
stak hem de vingers in de oren en raakte zijn tong met speeksel aan.
Vervolgens sloeg Hij zijn ogen ten hemel, zuchtte en sprak tot hem:
Effeta, wat betekent: Ga open.
Terstond gingen zijn oren open,
en werd de band van zijn tong losgemaakt, zodat hij normaal sprak.
Hij verbood hun het aan iemand te zeggen;
maar met hoe meer nadruk Hij dat verbood, des te luider verkondigden zij het.
Buiten zichzelf van verbazing riepen zij uit:
Hij heeft alles wel gedaan, Hij laat doven horen en stommen spreken.
Homilie
De profeet Achia droeg een nieuwe mantel. Hij pakte die, scheurde hem in twaalf stukken en zei tot Jeroboam: Neem tien stukken
" Het koninkrijk valt uiteen met in het noordrijk tien stammen, en in het zuidrijk twee stammen, want het hart van de koning was verdeeld geraakt. "Op zijn oude dag verleidden de vrouwen Salomo tot het dienen van andere goden; hij was de Heer zijn God niet meer zo met hart en ziel toegedaan als zijn vader David.
Hij deed wat de Heer mishaagde" (1 Kon 11,4.6).
Die verdeeldheid van hart, van het innerlijk in de verhouding tot God, leidt tot uiterlijke verdeeldheid, tot politieke verdeling: tien stammen in het noorden en twee in het zuiden. Dat is zo herkenbaar. Als God niet meer alles voor je betekent, als je Hem niet boven alles bemint, wordt je leven ongeordend, dringen de verstrooiingen je gebed binnen. Het kan zelfs zover komen dat mensen helemaal in hun eigen wereldje gaan leven, geïsoleerd, zoals die doofstomme uit het evangelie.
Een doofstomme is een dove die niet normaal kan spreken. Hij kan niet spreken omdat hij niets hoort. Er dringt niets bij hem binnen, dus komt er ook niets uit, tenminste niets verstaanbaars. Een doofstomme is het beeld van de zondige mens. Doordat de mens niet wilde luisteren naar God en niet wilde gehoorzamen aan God, raakte hij in zichzelf opgesloten. Het innerlijke gesprek met God verstomde; het niet meer kunnen ontvangen uit zijn goedheid was het gevolg van de zonde. De mens en zijn vrouw verborgen zich voor God, toen God hen in de tuin benaderde om hun zijn goedheid mee te delen (vgl. Gn 3,8).
De genezing komt tot stand zoals dat bij de doofstomme gebeurt. Hij wordt door Jezus naar buiten geleid, buiten de kring van het volk. "Jezus nam hem terzijde, buiten de kring van het volk", zodat hij met Jezus alleen is en opgenomen kan worden in Jezus' verhouding tot de Vader. Jezus neemt hem apart, zodat hij buiten de kring komt te staan van mensen die in hun eigen wereldje leven, los van God. Jezus sloeg zijn ogen ten hemel, naar zijn hemelse Vader, en zo neemt Hij, als Zoon van de Vader, de doofstomme op in zijn verhouding tot zijn hemelse Vader, en vanuit díe verhouding klinkt dat machtswoord: "Effeta, wat betekent: Ga open.
Terstond gingen zijn oren open en werd de band van zijn tong losgemaakt, zodat hij normaal sprak.
Jezus verbood hun het aan iemand te zeggen." Ze krijgen na het gebeuren meteen een spreekverbod opgelegd. De man kan nauwelijks spreken of hij moet al weer zwijgen. Hij mag aan die genezing geen ruchtbaarheid geven, want dan zou het gebeuren waarin hij was opgenomen - de verhouding van Jezus met de Vader - een eigen leven gaan leiden zónder Jezus, búiten de verhouding van Jezus met de Vader. Dan zouden ze Jezus uitgeroepen hebben tot een mirakeldoener, iemand die leeft, werkt en spreekt vanuit eigen kracht. Maar de woorden die Jezus zegt en de daden die Hij stelt, stelt Hij in gehoorzaamheid aan zijn Vader. Het is de Vader zelf die Hem die woorden ingeeft en die Hem dat wonder laat doen. Buiten de verhouding van Jezus tot de Vader wordt Jezus een afgod en worden wíj kleine afgoden.
In de heilige eucharistie worden wij heel zorgvuldig van woord tot woord, in elke handeling, steeds weer opgenomen in Jezus' verhouding tot de Vader. Zo eindigt dan ook het eucharistisch gebed: 'Door Hem en met Hem en in Hem', zodat dát de verhouding wordt waarin wij niet alleen bidden, maar ook leven: alles ontvangend uit de hand van God, zoals Jezus alles ontvangt uit de handen van zijn Vader.