Eerste lezing: 1 Koningen 11,4-13
Evangelie: Marcus 7,24-30
Inleiding
'God is groot, God is goed.' Waarin bestaat Gods grootheid? Dat Hij goed is voor de niet-goeden. Dat Hij onze schuld, dat Hij alle schuld van de mensen voldoet, dat Hij kwaad vergeldt met goed. Het goede van de mens, dat is wat de Schepper ons in de schepping geeft. Maar de mens kan ermee aan de haal gaan. Hij kan er zijn eigen wil mee gaan doen, hij kan er zich mee tegen God afzetten. Maar God haalt hem in met een goedheid die zelfs goed is voor de niet-goeden, voor de kwaden.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus
In die tijd trok Jezus naar de streek van Tyrus en Sidon.
Hij ging een huis binnen en wilde niet dat iemand het te weten kwam,
maar Hij kon niet onopgemerkt blijven.
Een vrouw wier dochtertje door een onreine geest was bezeten,
kwam dan ook, zodra ze van Hem gehoord had, naderbij
en wierp zich aan zijn voeten.
De vrouw was een Helleense van Syrofenicische afkomst.
Zij vroeg Hem de duivel uit haar dochter uit te drijven.
Hij sprak tot haar: Laat eerst de kinderen verzadigd worden,
want het is niet goed het brood dat voor de kinderen bestemd is
aan de honden te geven.
Maar zij had een antwoord en zei Hem:
Jawel, Heer.
De honden onder tafel eten immers van de kruimels van de kinderen.
Toen sprak Hij tot haar:
Omdat ge dit zegt, ga heen, de duivel heeft uw dochter verlaten.
Zij keerde naar huis terug, trof haar kind te bed
en bevond dat de duivel was heengegaan.
Homilie
Op zijn oude dag verleidden de vrouwen Salomo tot het dienen van andere goden." Religieuze verdeeldheid leidt tot politieke verdeeldheid: Omdat gij u niet houdt aan mijn verbond of aan de wetten die Ik u heb opgelegd, zal Ik het koninkrijk van u afscheuren." Dat zal pas na Salomo's dood gebeuren, maar het wordt hém aangerekend. Een goede inzet garandeert nog geen goede afloop. Loopt je leven fatsoenlijk af, dan wil dit nog niet zeggen, dat je geen verantwoordelijkheid draagt voor de chaos die na jou losbreekt.
Maar een slechte start leidt nog niet noodzakelijk tot een slechte finish. Dat bewijst de Kananese vrouw. Haar start was in elk opzicht ongelukkig: zij was een vrouw, een heidense, zij had een dochter die door de duivel bezeten was, zij werd door Jezus afgewezen en werd zelfs een hond genoemd: "Laat eerst de kinderen (de Joden) verzadigd worden. Want het is niet goed het brood dat voor de kinderen bestemd is aan de honden (de heidenhonden) te geven."
Met dit woord heeft Jezus het hart van deze vrouw tot op de grond willen omwoelen, zodat zij uit het diepst van haar hart haar geloof uitschreeuwt: "Jawel, Heer. De honden onder tafel eten immers van de kruimels van de kinderen." Jezus wil geloof, een ontmoeting met een gelovige. Hij wil geen wonderdaden verrichten. Hij wil geen geschenken uitdelen, los van Zichzelf. In het wonder wil Hij Zichzelf geven. Het gaat niet om de gave alleen, het gaat in de gave om de Gever. Daarom beproeft Hij ons geloof, zodat onze omgang met Hem niet zakelijk zou worden, zaakgericht, omwille van het eigenbelang, maar persoonlijk, persoonsgericht en belangeloos. Het gaat Hem niet om een mooie, ordelijke wereld, maar het gaat Hem erom dat Hij met elke mens, of die nu in een toestand van orde of chaos verkeert, een goede verstandhouding krijgt. Dat gaat gewoonlijk beter wanneer in een mensenleven eerst de chaos de overhand heeft gekregen op de orde.
Daarom is het beter in een geest van onwaardigheid te communiceren, als waren wij honden, zoals de Israëlieten de heidenen van Tyrus en Sidon plachten te noemen: heidenhonden. Als wij in die gesteltenis zouden communiceren, zouden wij opnieuw de kracht van dit voedsel ontwaren als het was de eerste maal dat wij het ontvingen.