Eerste lezing: Genesis 3,1-8 [II 57];
Evangelie: Marcus 7,31-37 [II 58]
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus
In die tijd vertrok Jezus uit de streek van Tyrus
en begaf Zich over Sidon naar het meer van Galilea,
midden in de streek van Dekapolis.
Men bracht een doofstomme bij Hem
en smeekte Hem dat Hij deze de hand zou opleggen.
Jezus nam hem terzijde, buiten de kring van het volk,
stak hem de vingers in de oren en raakte zijn tong met speeksel aan.
Vervolgens sloeg Hij zijn ogen ten hemel, zuchtte en sprak tot hem:
Effeta, wat betekent: Ga open.
Terstond gingen zijn oren open,
en werd de band van zijn tong losgemaakt, zodat hij normaal sprak.
Hij verbood hun het aan iemand te zeggen;
maar met hoe meer nadruk Hij dat verbood, des te luider verkondigden zij het.
Buiten zichzelf van verbazing riepen zij uit:
Hij heeft alles wel gedaan, Hij laat doven horen en stommen spreken.
Homilie
Vandaag de zondeval. Alleen al het woord 'zondeval' veronderstelt zelfverheffing. 'Hoogmoed komt voor de val', de zondeval. Wat de mens in de zonde wil, is hoger stijgen: hij staat op tegen zijn Schepper en Heer, zelfverheffing, hij wil zelf uitmaken wat goed en kwaad is, om "daardoor gelijk te worden aan God."
Hij is ongehoorzaam. De ongehoorzaamheid van de zonde kan alleen door gehoorzaamheid goed gemaakt worden: "Zoals door de ongehoorzaamheid van één mens allen zondaars werden, zo zullen door de gehoorzaamheid van Eén allen weer worden gerechtvaardigd" (Rom 5, 19). Elke zonde is een vorm van ongehoorzaamheid, 'ik dien U niet.' In de zonde maakt de mens zich los uit de liefdesband met zijn hemelse Vader.
"Maar waar de zonde heeft gewoekerd, werd de genade mateloos" (Rom 5,20). In het evangelie van vandaag zien wij aan de doofstomme hoe de verlossing geschiedt. De doofstomme is het beeld van de mens in zonde. Doordat de mens niet wilde luisteren, niet wilde gehoorzamen, raakte hij in zichzelf opgesloten. Het innerlijk gesprek met God staakt: "de mens en zijn vrouw verborgen zich voor God." Jezus leidt de doofstomme buiten de kring van het volk, waar Hij alleen met hem is, en met Jezus alleen wordt de doofstomme opgenomen in Jezus' verhouding met zijn Vader: "Jezus sloeg de ogen ten hemel." Hij herstelt de zonde door het herstel van de ongezonde verhoudingen: Hij verricht het wonder in afhankelijkheid. Jezus geeft door deze hemelse oogopslag te kennen dat Hij het leven niet uit Zichzelf heeft en dat Hij het verlossende woord niet uit Zichzelf spreekt. Vanuit deze fundamentele nederigheid, vanuit deze waarachtigheid klinkt het machtswoord: "Effeta, ga open," wordt vrij van de machten die een ban leggen op je bestaan, die je opsluiten in jezelf.
En toch een spreekverbod? Ja, want wat het wonder deed geschieden, was niet de eigen kracht van Jezus, maar die van zijn Vader: het was ontvangen kracht. Die dimensie zou in het doorvertellen verloren gaan; Jezus zou een mirakeldoener geworden zijn, een God zonder nederigheid, geen Zoon van God, maar een Vader God.
Is het hele eucharistische gebed niet een gebed tot de Váder? Op deze wijze worden wij in Jezus' verhouding tot de Vader mee-opgenomen en zo van onze zondige ongehoorzaamheid verlost.