Eerste lezing: Genesis 2,18-25
Evangelie: Marcus 7,24-30
Inleiding
Het openingslied openbaart wat menselijk leven is: leven in de dood, maar versterkt met de pluskwaliteit van Jezus' leven, leven in de dood en door de dood heen. Dat is wat het heilig voedsel dat we nu gaan vieren, met het woord en met het sacrament, geeft, ook al vóór de dood. In vreugde en in smart, bij zware levenszorgen in het zwakke mensenhart, geeft het leven, kracht, moed, vreugde, bemoediging, als wij er tenminste voor openstaan, zoals de vrouw vandaag in het evangelie. Die Kananeese vrouw, die heidense vrouw, stond ervoor open om van Jezus hulp en bevrijding te verwachten.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus
In die tijd trok Jezus naar de streek van Tyrus en Sidon.
Hij ging een huis binnen en wilde niet dat iemand het te weten kwam,
maar Hij kon niet onopgemerkt blijven.
Een vrouw wier dochtertje door een onreine geest was bezeten,
kwam dan ook, zodra ze van Hem gehoord had, naderbij
en wierp zich aan zijn voeten.
De vrouw was een Helleense van Syrofenicische afkomst.
Zij vroeg Hem de duivel uit haar dochter uit te drijven.
Hij sprak tot haar: Laat eerst de kinderen verzadigd worden,
want het is niet goed het brood dat voor de kinderen bestemd is
aan de honden te geven.
Maar zij had een antwoord en zei Hem:
Jawel, Heer.
De honden onder tafel eten immers van de kruimels van de kinderen.
Toen sprak Hij tot haar:
Omdat ge dit zegt, ga heen, de duivel heeft uw dochter verlaten.
Zij keerde naar huis terug, trof haar kind te bed
en bevond dat de duivel was heengegaan.
Homilie
God de Heer sprak: Het is niet goed dat de mens alleen blijft. Ik ga een hulp voor hem maken die bij hem past. En toen boetseerde God de Heer uit de aarde alle dieren." En daarna vormde God, de Heer, uit de rib die Hij uit de mens had weggenomen een vrouw. Als je dat zo hoort dan denk je: de mens was alleen, maar eigenlijk was hij niet alleen. Er was Iemand met hem bezig. Er was Iemand die zijn diepere verlangens vermoedde en daar heel zorgzaam ook iets aan wilde doen. Iemand die met heel zijn scheppingsvernuft aan wat Hij had geschapen nog een vervollediging, een vervulling, wilde geven. Als de mens alleen is, is hij niet alleen. God is er altijd geweest en zal er ook altijd zijn.
Hij laat de mens nooit vallen, ook al laat de mens God vallen. Ook die vrouw uit het heidense land Tyrus en Sidon, van Syrofenicische afkomst, een Helleense, is niet alleen. Ze is niet van het Joodse volk, van het volk van het Verbond. Maar ook zij is niet alleen, want zij wordt door de heilige Geest naar Jezus, de Verlosser, toegedreven. Jezus probeert dat als het ware eerst uit, Hij stelt haar op de proef om uit te testen wat voor aandrijvingen, wat voor neigingen het zijn, die haar naar Hem toedrijven. Daarom eerst die afwijzing. Maar als de vrouw volhardt, zelfs de allerlaatste hindernis overwint, moet haar aandrang om Jezus' hulp in te roepen voor haar dochter wel van iets diepers komen. Dan moet het wel de Vader zelf zijn die haar hart aanraakt met de vinger van zijn rechterhand, de heilige Geest, de zoete Gast van onze ziel.
Ook wij zijn nooit alleen. Niemand van ons is alleen. Ook mensen die beloofd hebben altijd alleen te blijven, doen dat nu juist vanuit een aandrang van Degene die altijd bij hen is, de zoete Gast van hun ziel. Een levensstaat van een voortdurende hunkering die door geen gezelschap hier op aarde vervuld wil worden. Een hunkering die alleen in de hemel vervuld wordt.
Hoe hou je dat vol die leegte, die frustratie, die onvervuldheid, waarvan God zelf zegt: het is niet goed dat de mens alleen blijft? Dat hou je vol omdat het je door de heilige Geest, de zoete Gast van je ziel, zelf is ingegeven. Hij is bij je, Hij die de vervulling is van al je verlangens. Hij is nu al in je hart aanwezig.