Eerste lezing: Genesis 3,9-24
Evangelie: Marcus 8,1-10
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus
volgens Marcus
Toen er in de tijd weer eens veel mensen bij Jezus waren
en zij niets te eten hadden,
riep Jezus zijn leerlingen bij Zich en sprak tot hen:
Ik heb medelijden met deze mensen,
omdat zij al drie dagen bij Mij blijven,
zodat ze nu zonder voedsel zijn.
Wanneer Ik hen zonder eten naar huis laat gaan,
zullen zij onderweg bezwijken;
sommigen van hen zijn van ver gekomen.
Zijn leerlingen antwoordden Hem:
Waar kan iemand hier, op een zo eenzame plaats,
brood vandaan halen om hen te verzadigen?
Hij vroeg hun: Hoeveel broden hebt ge dan?
Zeven, antwoordden zij.
Hij gelastte het volk op de grond te gaan zitten.
Toen nam Hij de zeven broden;
en na het dankgebed brak Hij ze
en gaf ze aan zijn leerlingen om ze voor te zetten aan het volk;
en dat deden ze.
Ze hadden ook nog wat visjes;
na de zegen er over uitgesproken te hebben,
zei Hij dat ze ook die moesten voorzetten.
De mensen aten tot ze verzadigd waren
en aan overgebleven brokken haalde men zeven manden op.
Er waren ongeveer vierduizend personen.
Toen zond Hij hen naar huis.
Terstond ging Hij met zijn leerlingen scheep
en kwam in de streek van Dalmanuta.
Homilie
De eerste lezing leert ons leven met de zonden, de onheiligheid, de schuld, het kwade geweten, het compromis. Paradijs, onschuld, dat is iets van vóór onze wereld. Onze wereld kunnen wij ons alleen indenken met zonde en kwaad. We hebben de heilige Schrift nodig om te weten, dat dit niet vanzelfsprekend is. We treffen de wereld zo aan. Er komt een kind ter wereld: geweldig! - maar je weet in wat voor een wereld het terecht komt. Daarom staat al meteen na het verhaal van de schepping, die goed was, het verhaal van 's mensen zonde. De geschiedenis van de zonde wordt omsloten door de nog grotere heilswil van God: ervóór paradijs en erna paradijs; paradijs vóór en na.
Wat is zonde? Zonde is de kennis van goed en kwaad, dat is zelf de norm van goed en kwaad willen bepalen, terwijl die norm ons gegéven wordt. Zonde is zelf willen beslissen, het niet nemen dat goed en kwaad geworteld zijn in God, het niet nemen dat wij maar zoon zijn. Zonde is: Vader willen zijn.
We mogen de teleurstelling mee ondergaan. Hoe zullen zij zich gevoeld hebben na de zonde: berooid, terwijl zij zich voorstelden als koningen gekleed te gaan, met 'kennis', aan God gelijk. Maar ze staan in hun hemd. Zoals wijzelf ook van onze zonde ervaren: welnu, je hebt je zin gehad! Is dat nu alles?!
Dan volgt het vonnis van God: Ik maak je weer tot wat je van huis uit bent. Dat weet je nog niet, maar ik zal het je nu zeggen, zodat je je niets meer hoeft te verbeelden. Je bent Adam van de adamah, van de aarde, en dat in meer dan één opzicht. Je bent uit de adamah overgeplaatst naar de tuin, de hof van Eden. Maar nu ga je terug naar waar je vandaan kwam, naar je eigen adamah. Niet in de tuin, maar op de adamah zul je voortaan wonen. Maar vooral ben je Adam van de adamah, omdat ik je uit adamah heb gevormd. Wanneer Ik je heden terugstuur naar de adamah, is dat het begin van het einde. Je hoort daar van nature thuis, omdat je eruit gemaakt bent en er weer één mee zult zijn, zelf weer tot adamah zult worden.
De onsterfelijkheid was dus een gunst, iets extra's, iets er bovenop, een geschenk, op de koop toe, het is meer dan wat in onze natuur ligt, het is boven onze stand. Door de ommekeer in de religieuze situatie worden alle verhoudingen getroffen. De verhouding tot het kind: met smart gebaard. De verhouding tussen man en vrouw: de vrouw onderworpen aan haar man in plaats van aan hem gelijk. De verhouding tot de aarde: distels, doornen, zweet. De verhouding tot het leven: dood. De mens zelf is veranderd, in de kern van zijn wezen. Hij leeft in opstand tegen God en dan komt al het andere in opstand tegen hem. Zó was het in den beginne
Zó zijn wij, zo is God: dat zegt God over ons.
In die onparadijselijke wereld begint Jezus opnieuw: "
op een zo eenzame plaats
" Het medelijden van Jezus maakt deze eenzame plaats tot een oord van verbroedering, een oord van verzoening tussen hemel en aarde (Jezus sprak het dankgebed) en tussen de mensen onderling.