Vrijdag in de vijfde week van Pasen
                           Heilige Marcus, evangelist


Eerste lezing: 1 Petrus 5,5b-14 [IV 22]
Evangelie: Marcus 16,15-20 [IV 23]


Inleiding  


De eerste keer dat Marcus in de christelijke overlevering voorkomt, is in het lijdensverhaal, zij het niet met name genoemd. Toen Jezus van de Olijfberg werd weggevoerd, was Marcus de enige die Hem volgde, "toen ging een jongeman, die een linnen doek om het blote lichaam had geslagen, Hem achterna”, maar niet voor lang, want “ze grepen hem, maar hij liet zijn kleed in de steek en vluchtte naakt weg" (Mc 14,51-52).
Deze jongeman wordt veelal gehouden voor Marcus, de schrijver van het tweede evangelie. Hij woonde in Jeruzalem. Waarschijnlijk werd er bij hem thuis ook 'het brood gebroken'. Want toen Petrus, op wonderbaarlijke wijze uit de gevangenis bevrijd, in het eerste het beste huis van christenvrienden een onderkomen zocht, klopte hij aan bij "het huis van Maria, de moeder van Johannes, ook Marcus genoemd, waar velen in gebed verenigd waren" (Hnd 12,12). Het is dus niet vreemd dat wij Marcus zien in het gezelschap van de eerste christenmissionarissen, eerst met zijn neef Barnabas en later met Paulus, als begeleider op diens eerste missiereis. Met Paulus hield Marcus het niet lang vol, of Paulus met hem niet, want nadat zij in Perge in Pamfylië waren aangekomen, "scheidde Johannes zich van hen af en keerde naar Jeruzalem terug” (Hnd 13,13). Op zijn tweede missiereis wilde Paulus hem niet meer meenemen: “Nu wilde Barnabas ook Johannes, bijgenaamd Marcus, meenemen, maar Paulus vond het beter iemand die hen in Pamfylië in de steek had gelaten en zich niet met hen aan het werk gewijd had, niet meer mee te nemen. Het meningsverschil liep zo hoog, dat ze uit elkaar gingen en Barnabas samen met Marcus scheep ging naar Cyprus" (Hnd 15,37-39). Later heeft Paulus zich weer met Marcus verzoend, want in de brief aan de Kolossenzen brengt hij de groeten over van Marcus, de neef van Barnabas (Kol 4,10) en in zijn tweede brief aan Timoteüs schrijft hij aan het slot: "Ga Marcus halen en breng hem met u mee; ik kan hem goed gebruiken voor het werk" (2 Tim 4,11). Later treffen wij Marcus aan bij Petrus in Rome, en in de jaren 61/63 ook bij Paulus. Maar Marcus was de vaste gezel van Petrus, hij was de tolk van de eerste paus, die de Griekse wereldtaal niet machtig was.
In zijn evangelie treffen we heel wat sporen aan van de Petrusoverlevering. Daarom de eerste lezing uit de eerste brief van Petrus die eindigt met: "U groet de zustergemeente van Babylon, evenals mijn zoon Marcus" (1 Pe 5,13).

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus

Daarop sprak Jezus tot hen:
“Gaat uit over de hele wereld
en verkondigt het evangelie aan heel de schepping.
Wie gelooft en gedoopt is, zal gered worden,
maar wie niet gelooft zal veroordeeld worden.
En deze tekenen zullen de gelovigen vergezellen:
in mijn Naam zullen ze duivels uitdrijven,
nieuwe talen spreken,
slangen opnemen;
zelfs als ze dodelijk vergif drinken zal het hun geen kwaad doen;
en als ze aan zieken de handen opleggen
zullen deze genezen zijn.”
Nadat de Heer Jezus aldus tot hen gesproken had,
werd Hij ten hemel opgenomen
en zit aan de rechterhand van God.
Maar zij trokken uit om overal te prediken,
en de Heer werkte met hen mee
en schonk kracht aan hun woord
door de tekenen die het vergezelden.

Homilie  

“Gaat uit over de hele wereld en verkondigt het evangelie aan heel de schepping."
Jezus is verrezen en "ten hemel opgenomen, waar Hij zit aan de rechterhand van God." Maar daarmee is de geschiedenis van het evangelie niet ten einde. Integendeel. Die geschiedenis is toen pas goed begonnen, en meteen al met een wereldwijd verschiet: de hele wereld, heel de schepping. Zo had Jezus het ook voorzien: "Eerst moet onder alle volkeren de Blijde Boodschap verkondigd worden" (Mc 13,10). Wereldwijd, grenzeloos. En opgewassen tegen alle obstakels die zij onderweg zouden tegenkomen: vreemde talen, door de duivel bezetenen, giftige slangen, pogingen om hen te vergiftigen (zoals de heilige Benedictus is overkomen). Het zou hen niet deren, want "de Heer werkte met hen mee en schonk kracht aan hun woord door de tekenen die het vergezelden."

Petrus heeft in Rome van nabij gezien wat de christenen allemaal moesten doormaken. In zijn eerste brief vanuit Babylon, bedoeld wordt Rome, in de ogen van de christenen een goddeloze wereldmacht en daarom Babylon genoemd, spreekt hij onder andere over christenen die om hun "goede christelijke levenswandel" worden beschimpt en belasterd (1 Pe 3,16), over "de brand (van de vervolging) die in uw midden woedt, als men u hoont om de Naam van Christus" (1 Pe 4,12-19). Hij plaatst het lijden van de pasgedoopte christenen in Klein-Azië (het huidige Turkije) tot wie Petrus zich richt in zijn doopbrief, in de context van "soortgelijk lijden die het deel is van uw broeders over heel de wereld" (1 Pe 5,9).
Petrus geeft de pasgedoopte christenen in hun precaire situatie een aantal raadgevingen: nederigheid in de omgang met elkaar, "houdt u klein onder de sterke hand van God, weest nuchter, wordt wakker! Want uw vijand, de duivel, zwerft rond als een brullende leeuw op zoek naar een prooi om te verslinden: Weerstaat hem, sterk door het geloof!"
Want, zo is Petrus' pastorale ervaring met jonge christenen, de duivel heeft het begrepen op hun geloof. Hij kan het niet uitstaan dat deze zielen hem zijn ontsnapt, want "wie gelooft en gedoopt is, zal gered worden."

Een jonge christen, Floris Bakels, drie jaar lang in gevangenschap bij de nazi's (1942-1945), heeft zulke momenten van bekoring meegemaakt en beschreven: 'De Satan waart rond als een brullende leeuw, zoekende wie te verslinden.' Dit is zeer verdienstelijk literair gezegd. Daarenboven is het angstig waar. Een uitzonderlijk begeerlijke prooi voor de brullende leeuw zijn natuurlijk die christenen die geheel vervuld zijn van een zielsreddend geloof dat hun zojuist door Gods genade in de schoot is geworpen, zomaar, voor niets.
'De leeuw brulde lang niet altijd, hij waarde ook geluidloos rond, veraf, dichtbij, soms als een schim te zien, een enkele keer zijn hete adem vlak in je gezicht. Als ik, zoals herhaaldelijk is voorgekomen, Gods licht langzaam zag doven achter een dik grijs wolkenpak, en begon aan een huiveringwekkende afdaling naar het zwarte niets, beriep ik mij op Jezus Christus zelf, die in zijn doodstrijd gezegd heeft: "Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?" Hierna voelde ik Christus met mij afdalen: wij gingen samen. En wij werden samen bekoord en belaagd' (Floris Bakels).

De duivel suggereert hem: 'Er is geen God, geen Christus, dat hele geloof van jou is één kolossale illusie, het christendom een zoethoudertje … jullie hebben je iets uitgedacht, een God Vader in de hemel, een Zoon, een heilige Geest. Alles mensenwerk, alles onzin.' Christenen op de hele wereld, in gevangenissen, in kloosters, in gezinnen, rijk en arm, geleerd en ongeletterd, heel de geschiedenis door vanaf Petrus, hebben dit soort bekoringen van de leeuw moeten doorstaan.
Maar als men een beroep doet op Jezus Christus zelf, die dezelfde bekoring heeft doorstaan, in de woestijn, in de Hof van Olijven, aan het kruis, als men met Christus mee afdaalt, dan zal men voelen dat Christus mee afdaalt met jou. Samen word je bekoord, samen word je gered. Want dan zal God terugkeren, en wel met een zo verblindend licht, zo direct en onmiddellijk, dat men niets anders meer kan dan woordeloos aanbidden. Met de woorden van Floris Bakels: 'Dan valt alles weg, de hele geschiedenis, alle mensen, de hele omgeving, en ook de brullende leeuw, ja zelfs het eigen 'ik', de eigen persoonlijkheid leek verslonden te zijn. Er was alleen nog een geluksgevoel, absolute vrede in God. Het bleek niet Jezus Christus te zijn die het grote fantoom was, maar de brullende leeuw die nergens meer was, helemaal nergens, een vervlogen gestalte' (Floris B. Bakels, Nacht und Nebel. Mijn verhaal uit Duitse gevangenissen en concentratiekampen, Elsevier 1977, blz. 179-180).

Weer heeft iemand de veroordeling tot de totale ondergang ondervonden waarvan het doopsel en het geloof ons wil redden: "wie niet gelooft, zal veroordeeld worden." En weer heeft iemand ervaren hoe Jezus zijn uitverkorenen nabij is en als een ware Redder en Verlosser optreedt.