Heilige Pacomius, abt
Eerste lezing: Handelingen 15,22-31 [I 218];
Evangelie: Johannes 15,12-17 [I 219]
Inleiding
Pacomius is de grondlegger van het monnikenleven zoals u het leeft (in de priorij), in gemeenschap, onder gehoorzaamheid. Pacomius had namelijk bemerkt dat de eenzaamheid, wat de oorspronkelijke opzet van het monnikenleven was, monachos - alleen - kan leiden tot anarchie. In de eenzaamheid begint de eigen wil te woekeren, want als je niemand hebt om verantwoording aan af te leggen, kun je je eigen wil doen. Er is dus een 'tegenover' nodig voor het monnikenleven. Dat hadden ze al heel gauw door, zodat iedere monnik verplicht werd een eigen abbas te hebben aan wie hij minstens om de twee weken verslag gaf over zijn doen en laten. Maar ze merkten dat dat toch te weinig was. Bovendien merkte ook Pacomius dat het alleen zijn in plaats van een voordeel om God te zoeken en te vinden, ook veel nadelen had. Woning, kleding, voedselvoorziening, de zorg ervoor, dreigde de woestijnman op te slokken. Pacomius bracht dus monniken in kolonies bijeen, die leefden in onderling hulpbetoon. Monnik-zijn, dat aanvankelijk eremiet-zijn was, alleen-zijn was, werd geleidelijk aan steeds meer coenobietisme, gemeenschappelijk leven, zo sterk dat het eremiet-zijn door Basilius ten slotte min of meer veroordeeld werd. Zoals we dat ook bij Benedictus zien. Cassianus zegt: Men kan zich niet vinden in een leven waarbij men God bemint, die men niet ziet, zonder zich eerst geoefend te hebben in het gemeenschappelijk leven, waarbij men zijn broeder bemint, die men ziet. De beoefening van de naastenliefde wordt beschouwd als een noodzakelijk voorspel, een soort pedagogie voor de vlucht in de eenzaamheid als enkeling in de woestijn. En zo is het via Benedictus bij u terecht gekomen. Belijden wij dan eerst onze schuld, onze onontvankelijkheid voor de werking van de heilige Geest door middel van de ander, de naaste.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen:
Dit is mijn gebod,
dat gij elkaar lief hebt
zoals Ik u heb liefgehad.
Geen groter liefde kan iemand hebben dan deze
dat hij zijn leven geeft voor zijn vrienden.
Gij zijt mijn vrienden, als gij doet wat Ik u gebied.
Ik noem u geen dienaars meer,
want de dienaar weet niet wat zijn heer doet,
maar u heb Ik vrienden genoemd,
want Ik heb u alles meegedeeld wat Ik van de Vader heb gehoord.
Niet gij hebt Mij uitgekozen maar Ik u,
en Ik heb u de taak gegeven op tocht te gaan
en vruchten voort te brengen die blijvend mogen zijn.
Dan zal de Vader u geven
al wat gij Hem in mijn Naam vraagt.
Dit is mijn gebod,
dat gij elkaar lief hebt.
Homilie
Vanaf woensdag zijn we bezig met de verhouding tussen Jezus en zijn leerlingen als tussen wijnstok en ranken. Dat betekent een algehele levensverbondenheid. "Los van Mij kunt ge niets" (Joh 15,5).
Nu heb je allerlei soorten van verbondenheid. De mens is met zijn lichaam verbonden, zonder lichaam kan hij niets, zijn aderen kunnen niet zonder bloed. Hij kan niet zonder voedsel, want dan gaat hij dood. Wat is nu de kwaliteit van die verbondenheid tussen Jezus en ons? Wat hoorden we eergisteren en gisteren in de lezingen uit het evangelie? "Blijft in Mij" en: "blijft in mijn liefde en: Zoals de Vader Mij liefheeft en Ik de Vader liefheb
" Dat is niet zomaar liefde, het is de liefde tussen de Vader en de Zoon!
De verbondenheid tussen Jezus en ons is van die kwaliteit. Een goddelijke liefde. Zoals de leerlingen lieten weten aan de christenen in Antiochië. "De heilige Geest en wij hebben besloten
" Dat is een besluit dat niet ingegeven werd door verstandelijke overwegingen, diplomatie, tact, strategie, praktische oplossing - dat kan er allemaal bij komen - maar het bezielende is de liefde van de heilige Geest, de goddelijke liefde, waarop het besluit gebaseerd is. "De heilige Geest en wij hebben besloten
"
Vandaag krijgen we in het evangelie een nieuwe aanduiding van die liefde, namelijk vriendschapsliefde. Vriendschapsliefde is een uitverkiezingsliefde! Dat is een liefde die je niet hebt, zoals mensen hun familie liefhebben, met wie ze door banden van het bloed zijn verbonden, of zusters van dezelfde communiteit, of collega's. Dat is geen uitverkiezingsliefde, dat is een liefde die jóu uitkiest, omdat je deel uitmaakt van een ras, een familie, een communiteit. Dat is ook altijd een liefde waarbij de eigenliefde een rol speelt. Er moet iets tegenover staan, want als je die ander niet lief hebt, laat die jou vallen.
Jezus houdt niet van ons wegens de natuur of de zaak; Hij heeft met ieder van ons een persoonlijke band, zoals je die hebt met een vriend. En dat is iets heel bijzonders, dat is iets unieks, dat je met Iemand iets hebt, dat die Ander iets heeft met jou, wat Hij met niemand anders heeft. Dat is tegelijkertijd ook iets veeleisends, want daardoor kun je nooit meer doen alsof die Vriend er niet is. Je kunt nooit meer je eigen zin doen, je eigen leven leiden, want die Vriend is er altijd. 'Het is de echte levenskunst' - zegt de Navolging van Christus - 'te weten hoe je met Jezus moet omgaan.' Jezus bij je houden, getuigt van grote vrijheid, want je kunt Jezus namelijk ook verdrijven, zijn gunst verliezen 'als gij u op uiterlijke dingen richt.'
Jezus zegt dat ook: "Geen grotere liefde kan iemand hebben dan deze, dat hij zijn leven geeft voor zijn vrienden." Jezus geeft zijn leven voor ons, maar dat betekent dat wij, die in vriendschapsliefde met Jezus verbonden zijn, ook ons leven moeten geven voor Hem. Hoe moet je je leven geven voor Hem? Door niet je eigen wil te doen, want dat is nu net het leven waarin je zelf in het middelpunt staat. Dat moet je elke keer opgeven. En zo gauw je je eigen wil opgeeft, komt de verbondenheid met Jezus in de troost van heilige Geest tot stand. Door de dood van de eigenliefde heen komt de vriendschapsliefde van Jezus tot bloei. 'Zonder vriendschap gaat het leven niet goed,' zegt de Navolging. En: 'als Jezus niet vóór alle anderen uw vriend is, zult ge leven in verdriet en eenzaamheid.' Soms kiezen de mensen ervoor om liever te leven in verdriet en eenzaamheid, dan hun eigen wil op te geven, dat geeft kennelijk een soort genoegen waarvoor men de grotere geestelijke genoegens graag opgeeft.
Jezus is een veeleisende Vriend. Jezus is een alles eisende Vriend. Hij geeft zijn leven en verwacht dat wij dat ook doen voor Hem. Hij verwacht dat wij onze eigen wil in het groot, maar vooral in het klein, in het allerkleinste, en dat is pas echt moeilijk, opgeven. Jezus leeft van de Vader, gedecentraliseerd, en Hij vraagt ook ons gedecentraliseerd te leven. "Niet mijn wil, maar Uw wil geschiede" (Lc 22,42; vgl. Mt 26,39; Mc 14,36).