Dinsdag in de vijfde week van Pasen
Eerste lezing: Handelingen 14,19-28
Evangelie: Johannes 14,27-31a


Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes

In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen:
“Vrede laat Ik u na;
mijn vrede geef Ik u.
Niet zoals de wereld die geeft, geef Ik hem u.
Laat uw hart niet verontrust of kleinmoedig worden.
Gij hebt Mij horen zeggen:
Ik ga heen, maar Ik keer tot u terug.
Als gij Mij zoudt liefhebben,
zoudt gij er blij om zijn dat Ik naar de Vader ga,
want de Vader is groter dan Ik.
Nu, eer het gebeurt, zeg Ik het u,
opdat gij, wanneer het gebeurt, zult geloven.
Veel zal Ik niet meer met u spreken,
want de vorst van de wereld is op komst.
Weliswaar vermag hij niets tegen Mij,
maar de wereld moet weten dat Ik de Vader liefheb
en dat Ik handel zoals Hij Mij bevolen heeft.”

Homilie  

Paulus en Barnabas zijn in het verhaal van de Handelingen der Apostelen weer terug in Antiochië, de stad van waaruit ze werden heengezonden om aan de heidenen het evangelie te verkondigen. Het is Paulus' eerste reis, deze voert hem via Cyprus naar Klein Azië, tenminste, het zuidelijk gedeelte daarvan, wat tegenwoordig Turkije is. Daar stroomt de Kerk vol met bekeerlingen uit de Joden en uit de heidenen. Teruggekomen in Antiochië "vertelden ze alles wat God met hun medewerking tot stand had gebracht, en hoe God voor de heidenen de poort van het geloof had geopend."

Zoals dat hier in de Handelingen van de Apostelen wordt uiteengezet en ook in het evangelie wordt verkondigd, zijn in die laatste zin de beide dimensies van ons geloof aanwezig, de verticale (God) en de horizontale (met hun medewerking). De Handelingen spreken vooral over de horizontale uitbreiding van de Kerk. U hebt al die plaatsnamen horen noemen; allemaal plaatsen in wat tegenwoordig het zuiden van Turkije is: Lystra, Ikonium, Pisidië, Pamfylië, Perge, Attalia, en weer terug naar Antiochië. Dat is meer een uitbreiding in het horizontale vlak. Johannes laat Jezus in zijn afscheidsrede meer verwijzen naar de verticale dimensies: Jezus' verhouding tot zijn Vader, waar het allemaal vandaan komt en waar het allemaal weer naar teruggaat.

In de Handelingen gaat het meer om de communio met de mensen, met de leerlingen, als christenen onder elkaar. "Geruime tijd brachten zij daar bij de leerlingen door.” In de afscheidsrede gaat het meer om de eenheid, om de communio met de Vader. “Gij zoudt er blij om moeten zijn dat Ik naar de Vader ga, want de Vader is groter dan Ik.” … “De wereld moet weten dat Ik de Vader liefheb en dat Ik handel zoals Hij Mij bevolen heeft." Jezus is thuis in de hemel en op aarde. Hij is de belichaming van de eenheid met God in de hemel én van Gods eenheid met de mensen op aarde. Zó is Hij de weg. Het is een merkwaardige weg, want Hij is een doodlopende weg; zijn weg loopt door de dood heen naar het echte leven, het eeuwige leven. "Ge zoudt er blij om moeten zijn dat Ik naar de Vader ga." 'Ge zoudt er blij om moeten zijn dat Ik dood ga!'

Jezus had al eerder zoiets tot de leerlingen gezegd: "Laat uw hart niet verontrust of kleinmoedig worden." Blijkbaar had Jezus gemerkt dat dat het geval was. 'Jullie moeten je niet zo laten verontrusten. Ik laat jullie niet verweesd achter. Waarachtig, Ik verzeker jullie, je zult treuren en weeklagen te midden van een wereld die zich zal verheugen. Leedvermaak. Maar ook al zijn jullie bedroefd, jullie droefheid zal in vreugde verkeren.' Beide dus: dodelijk bedroefd, maar een droefheid die diep in zichzelf een onderstroom van vreugde heeft. De droefheid is niet het laatste, is niet het allesomvattende, het allesbeheersende.

Dat is dan ook het waarmerk van de vrede. "Vrede laat Ik u na." Die vrede is een erfenis, een nalatenschap van Jezus. In het woord 'vrede', het Latijnse woord 'pax', zit het woord 'voegen'. Er zitten dezelfde medeklinkers in. Voegen, zich invoegen. Pax is vrede, dat is de toestand die ontstaat als mensen, als partijen, zich in elkaar voegen, zich samenvoegen. Die pax is er nu tussen de hemel en de aarde: vrede. Dat God en mens zich in elkaar voegen, zich naar elkaar voegen, een nieuwe harmonie vormen, een nieuw verbond sluiten: het Nieuwe Testament in mijn Bloed.

Maar, zegt Jezus, "mijn vrede geef Ik u. Niet zoals de wereld die geeft, geef Ik hem u.” … “Ik ben niet gekomen om de vrede te brengen, de vrede van de wereld, maar het zwaard” (Mt 10,34). Of, zoals we in de eerste lezing van Paulus en Barnabas hoorden hoe “zij de leerlingen aanspoorden in het geloof te volharden”, en hoe ze zeiden, “dat wij, zij zelf inbegrepen, ze staan er niet boven of buiten, door vele kwellingen het Rijk Gods moeten binnengaan." Het is dus een vrede die stand houdt, die groeit in uiterlijke onvrede, strijd, moeilijkheden, conflicten, vele kwellingen. Het is een vrede die alle begrip te boven gaat. Een vrede die er is in het hart en waarbij mensen zich kunnen afvragen: hoe kun je nu in die omstandigheden vrede hebben? Vrede, pax, staat er op de graven van de christenen, tot ontzetting van de heidenen, die zich afvroegen: hoe kunnen ze dat nu op hun graven zetten? Vrede, hoe kun je nu vrede hebben met een toestand als de dood? Dat is toch juist het einde van alle vrede. Daar mag je nooit vrede mee hebben, nooit genoegen mee nemen. Daar moet je tegen vechten tot het laatste toe!

Maar de vrede is dan ook niet de vrede met de dood, maar met Degene die Zich door de dood heen aan de Vader heeft gegeven. Zo is Jezus een Man van vrede. Zo staat Hij temidden van zijn Kerk. Het eerste woord dat Hij aan zijn Kerk zegt, voordat Hij nog enig ander woord spreekt, is: "Vrede zij u." De vrede die hemel en aarde omvat, leven en dood, strijd en overwinning. Dát is de vrede die Hij iedere keer vanaf het altaar, vanaf zijn liefdesdood komt brengen, wanneer u de vrede toegezegd krijgt en u die vrede ook aan elkaar geeft.