Vijfde zondag in de Veertigdagentijd,
                     jaar C
Eerste lezing: Jesaja 43,16-21
Tweede lezing: Filippenzen 3,8-14
Evangelie: Johannes 8,1-11


Inleiding  

'Judica me, Deus.' 'God, schaf mij recht.' Ik ben onschuldig. 'Kom voor mij op bij mensen zonder mededogen.' De anderen zijn slecht, ik ben goed. Dat kan alleen nog maar komen uit de mond van de God-Mens. Hij is onschuldig en wij allen zijn schuldig. Wat is dat dan voor een oordeel? 'Judica me, Deus!' Dat is geen ander oordeel dan het oordeel van de barmhartigheid, een oordeel dat altijd uitloopt op vrijspraak, op vergiffenis. Dat is wat wij vandaag op de vijfde zondag van de Veertigdagentijd over ons mogen laten komen. Zoals de zon vandaag op deze lentedag weldadig schijnt, zo schijnt de zon van Gods barmhartige liefde over alle schuldige mensen. Die heerlijke vloed van Gods barmhartige liefde, die de woestijn van ons hart en de steppe van de wereld is binnengevloeid, heeft ook ons opgenomen in het waterbad van de reiniging. En dat is wat wij op deze zondag opnieuw aan ons willen laten gebeuren.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes

In die tijd begaf Jezus zich naar de Olijfberg.
's Morgens vroeg verscheen Hij weer in de tempel
en al het volk kwam naar Hem toe.
Hij ging zitten en onderrichtte hen.
Toen brachten schriftgeleerden en Farizeeën
Hem een vrouw die op overspel was betrapt.
Zij plaatsten haar in het midden en zeiden tot Hem:
“Meester, deze vrouw is op heterdaad betrapt,
terwijl ze overspel bedreef.
Nu heeft Mozes ons in de Wet bevolen
zulke vrouwen te stenigen.
Maar Gij, wat zegt Gij ervan?”
Dit bedoelden ze als een strikvraag
in de hoop Hem ergens van te kunnen beschuldigen.
Jezus echter boog Zich voorover
en schreef met zijn vinger op de grond.
Toen ze bij Hem aanhielden met vragen
richtte Hij Zich op en zei tot hen:
“Laat degene onder u die zonder zonde is
het eerst een steen op haar werpen.”
Weer boog Hij Zich voorover en schreef op de grond.
Toen ze dit hoorden dropen ze één voor één af,
de oudste het eerst,
totdat Jezus alleen achterbleef met de vrouw
die daar was blijven staan.
Nu richtte Jezus Zich op en sprak tot haar:
“Vrouw, waar zijn ze? Heeft niemand u veroordeeld?”
Zij antwoordde: “Niemand, Heer.”
Toen zei Jezus tot haar:
“Ook Ik veroordeel u niet;
ga heen en zondig van nu af niet meer.”

Homilie      

Jezus bleef alleen achter met de vrouw, die nog midden in de kring stond. De erbarmelijke en de Barmhartige. De zondares en de Zondeloze. Dus zijn we weer even ver, want zo was het ook begonnen: de schuldige vrouw, op heterdaad betrapt op overspel, en de onschuldige aanklager. Twee werelden, door een onoverbrugbare kloof van elkaar gescheiden, want zo was het in het zelfgevoel van de aanklagers: wij zijn de goeden, zij is verkeerd. En zo is het ook in het zelfgevoel van de gewone mensen. Zolang ze nog geen grote openbare misdaden hebben bedreven, voelen ze zich onschuldig en kijken ze neer op publieke zondaars, zoals destijds de Farizeeën neerkeken op echtbrekers, onrechtvaardigen, rovers, tollenaars, kortom de publieke zondaars. Dat zijn de slechteriken, zelf gaan ze vrij uit. Het kwaad is alom tegenwoordig, maar het houdt direct op bij de drempel van hun eigen hart. Een vloed van zonden overspoelt de wereld en zij houden droge voeten.

Jezus echter brengt de mensen tot een nieuw bewustzijn. Hij opent een nieuwe dimensie van het kwaad: het kwaad in het eigen hart, in de verborgenheid van het innerlijk. Want Hij zegt niet alleen wie echtbreuk pleegt is schuldig voor God, maar Hij zegt ook "Al wie naar een vrouw kijkt om haar te begeren, heeft in zijn hart al echtbreuk gepleegd” (Mt 5,27.28). En: niet alleen “wie doodt is strafbaar voor het gerecht”, maar ook: “al wie vertoornd is op zijn broeder, zal strafbaar zijn voor het gerecht" (Mt 5,21.22). Niet alleen de daad van de doodslag maakt schuldig voor God, maar ook de dodelijke gedachte. Iemand afschrijven, zijn hart sluiten voor zijn naaste. Iemand biechtte eens dat hij op gespannen voet leefde met zijn buurman en hij kreeg als penitentie om een aantal goede dingen van die buurman op te schrijven. In de volgende biecht zei hij: ik heb niets goeds kunnen vinden. Hoe ik ook mijn best deed, met geen mogelijkheid kon ik iets goeds bedenken. Nu, zó iemand heeft zijn hart gesloten voor de ander, voor zijn naaste.

Het komt in de samenleving veelvuldig voor, dat mensen met andere groepen in de samenleving omgaan als met vreemden, ze behandelen als vijanden, als concurrenten, als dwazen. Zij kunnen alleen maar negatief zijn. En of dat nu de Tegelaars zijn of de mensen uit Venlo, of andersom, of Ajaxfans tegen de Feyenoordaanhangers, of het nu de katholieken zijn tegenover de Joden, of het nu de Hutus zijn of de Tutsis, ze maken zich allemaal op de een of andere manier schuldig aan doodslag. Precies zoals dat gebeurde in nazi-Duitsland. Maar daar hebben de christenen zelf aanleiding toe gegeven door alleen al schijnbaar onschuldig te spreken over de Joden. Dat was al voldoende om het materiaal te leveren voor de nazi's om het tot een vuur van de holocaust te laten uitbranden. Hadden zij in de harten van de christenen niet zoiets aangetroffen, dan zouden ze daar nooit het vuur van de holocaust op kunnen laten volgen. Dat dát het einde is van ons staan tegenover de naaste, dat heeft Jezus willen verhinderen met zijn dood. Door te sterven aan het kruis, zijn de mensen met God verzoend, zodat ze niet die verschrikkelijke eeuwige dood zouden moeten sterven, die zij door hun zonden hadden verdiend.

In het evangelie van vandaag wil Jezus bij deze vrouw de doodstraf verhinderen, als teken van wat Hij bij de hele mensheid, dus ook bij ieder van ons, hoopt te verhinderen. Laten we eens kijken hoe Hij dat doet.
Hoe kon Jezus nu voorkomen dat het recht zijn onverbiddelijke loop zou gaan nemen? Dan moest Hij voorkomen dat er eentje zou beginnen met stenigen, want zo verliep het ritueel van rechtspreken in die tijd. Er werd niet zo maar op losgegooid met stenen, zo van: ieder gaat zijn gang maar, nee, dat ging in een hiërarchische volgorde. Degene die de gemeenschap het meest vertegenwoordigde, de oudste, mocht beginnen, en zo verder in hiërarchische volgorde. Echter Jezus zegt niet: 'laat de oudste …', nee, Hij zegt: "Laat degene onder u die zonder zonde is het eerst een steen op haar werpen.” … “Toen zij dit hoorden, dropen zij één voor één af, de oudste het eerst," want als oudsten wisten zij wel beter. Jonge mensen willen de wereld verbeteren, en zij gaan ervan uit dat ze zelf beter zijn. Oudere mensen weten: 'verbeter de wereld, begin bij jezelf'. Dat is een wijsheid waar jonge mensen wel weet van hebben, maar nog geen ervaring  mee hebben. Ze hebben nog niet ervaren, dat als ze werkelijk met het leven in zee gaan, zij hun eigen gebreken en fouten tegenkomen. Jezus liet ze dus in hun hart kijken, dat hart dat een afgrond is van alle mogelijk kwaad. "Wat uit de mens komt, dat bezoedelt de mens” (Mc 7, 20), zegt Jezus. “Want uit het binnenste, uit het hart van de mensen, komen boze gedachten, ontucht, diefstal, moord, echtbreuk, hebzucht, kwaadaardigheid, bedrog, losbandigheid, afgunst, godslastering, trots, lichtzinnigheid. Al die slechte dingen komen uit het binnenste en bezoedelen de mens" (Mc 7,21-23).

Geen wonder dat mensen die zich op de volmaaktheid toeleggen daarbij op de eerste plaats kijken naar hun hart, de zuiverheid van hart nastreven. Jezus zegt: Je hart is een stortplaats van alle mogelijke kwaad. Zoals dat ooit eens werd aangewezen door een wijze Boeddhist. Iemand maakte zich tegenover hem boos over de gruweldaden van de nazi's. 'Hoe is het mogelijk dat zoiets kon gebeuren?' Waarop de Boeddhist antwoordde: 'Wat daar gebeurde is het naar buiten uitbreken van de brand die woedt in het hart van alle mensen.' En al die volkeren die na de oorlog de misdaden van de nazi's aan het licht hebben gebracht, aan de kaak hebben gesteld, hebben geoordeeld en de nazi's veroordeeld. Toen ze daarmee klaar waren, hebben ze een monument laten bouwen, met daarop de woorden in de taal van al die Europese landen: 'Nooit meer. Never again. Jamais plus. Niemals wieder, enzovoort.' Daar spreekt een bezorgdheid uit dat het nog een keer zou kunnen gebeuren, maar er spreekt ook een soort zelfverzekerdheid uit van: 'Ons zal dat nóóit meer overkomen'. En we weten dat het op dat moment al weer in de harten van de mensen leefde; in de harten van de Europeanen, in de harten van heel de Arabische wereld, maar ook in de harten van diezelfde mensen die achter dat 'nooit meer' stonden. Want de meesten van hen wilden van geen vergeving van nazi's en van hun misdaden weten. En dat is het teken, dat ze geen weet hadden van het kwaad in hun eigen hart. Want hadden zij geweten van het kwaad in hun eigen hart, het soortgelijke kwaad, dan zouden ze wel tot vergeving bereid zijn geweest. 'De pot verwijt de ketel …', enzovoort.

Denk niet te gauw dat je beter bent dan een ander. De doorsnee goede mens is maar goed zolang de omstandigheden meezitten. Breng je hem in andere omstandigheden, gaat bijvoorbeeld een jongen stappen met zijn vrienden, dan kan de brave jongen ineens veranderen in iemand die de beest uithangt en een ander doodtrapt. Het waren van die goede jongens, wordt er dan gezegd. Ja, thuis, bij moeder, in andere omstandigheden. Maar nu zijn ze gewetenloos, nu komt eruit wat er in hun hart zit.

Laten wij in de leer gaan bij een woestijnvader. Abt Poimen zei: 'Als iemand tot het gezegde is geraakt: alles is rein voor de reinen, en hij ziet iemand een moord of iets anders onreins bedrijven, dan zegt hij: Deze hier begaat slechts deze ene zonde, maar ik bedrijf elke dag een moord. Hoezo, elke dag een moord? Doordat ik Jezus aan het kruis elke dag doe sterven voor mijn zonden. Niemand kan zeggen: Hij is voor mij gestorven zonder tegelijkertijd te zeggen: Hij is door mij gestorven.

Zullen we het maar houden op waarmee we begonnen zijn? Toen bleven over, zoals Augustinus zegt: de armzalige en de Zaligmaker, de erbarmelijke en de Barmhartige. De barmhartigheid is groter dan het recht. Wij zijn onder elkaar als zondaars, maar Jezus is onder ons als de Barmhartige, die zijn leven gegeven heeft en blijft geven voor onze zonden.